Tyranny of Dragons

sessie 7 Queen of the Dragonhoard

12 december

Uit het dagboek van Kima:

20 Flamerule 1381

Nog wat narillend stap ik de algemene ruimte van de herberg weer in en zie al snel de rest van de groep zitten. Schuddend met mijn hoofd stap ik op ze af. “Ik heb gedaan wat ik kon, maar de rest moet onze goede broeder nu gewoon op de natuurlijke manier verlaten. Dat zal wel een dag of wat duren. Blijkbaar zitten we dus nog even vast in Berdusk.”

De rest knikt instemmend en ze verschuiven nog wat ongemakkelijk in hun stoel. Het was geen prettig gezicht om die lieve man zichzelf zo te zien bevuilen. Zelfs voor mij niet, en ik heb wel ergere dingen gezien. Op dat moment vraagt Fallon de minstreel de aandacht en brengt ter sprake dat hij gehoord heeft dat een dorpje in de omgeving last heeft van wolven, en dat er ergens anders nog een oger voor problemen zorgt. Blij met de verandering van onderwerp zijn we het er vrij snel over eens dat die wolven wel interessant klinken. Ik moest gelijk denken aan de spreuk die ik ergens gelezen had, waarmee ik met dieren zou kunnen praten. Op muizen en eekhoorns werkt dat wel leuk, maar ik ben erg benieuwd of dat net zo goed werkt op grotere en slimmere dieren zoals wolven. Er zal ergens wel een groot misverstand zijn, wolven vallen niet zomaar mensen aan. Voor de zekerheid informeer ik toch even naar informatie over wolven bij Menharin, de eigenaar van ‘De Rennende Ree’, een oude druïde met een lange, dikke, witte baard waar af en toe een klein eekhoorntje zijn kopje uit steekt. Ook vraag ik hem een oogje op broeder Fulminictus te houden terwijl we weg zijn.

menharin.jpg

We besluiten gelijk maar op pad te gaan, eerst naar de man die meer weet van de problemen, Brimsor Thunderwood. Blijkbaar moeten we naar Hollensdorp, daar verdwijnen geregeld mensen en leeft iedereen in angst voor de wolven die ’s nachts over straat rennen. Het is ongeveer een uurtje lopen. De dag is nog jong, dus we lopen gelijk maar die kant op.
Tegen het eind van de ochtend komen we aan in Hollensdorp, waar werkelijk geen sterveling te zien is op straat. Fallon tovert zijn luit te voren en begint opgewekte deuntjes te blazen en als magie gaan er deuren voorzichtig open en verschijnt er een kleine bebaarde gnoom die ons stamelend en overduidelijk doodsbang te woord staat. Hij laat echter niet veel los, en vraagt ons vooral weer weg te gaan omdat ‘ze’ anders iedereen zouden vermoorden. Langzamerhand verschijnen er meer mensen en ik besluit eens bij een stel dorpelingen rond te vragen. Een man met een grote rode snor stond met een vrouw snikkend op zijn schouder een stukje verder. Hij vertelde met dat hij was uitgekozen om op straat te blijven. Blijkbaar had het dorpje een soort afspraak met de wolven, die volgens de beste man zo groot waren als pony’s, om één iemand op te offeren zodat de rest van het dorp gespaard blijft. De situatie werd steeds vreemder en vreemder.

We besloten op zoek te gaan naar de groep wolven voordat ze bij het dorpje kwamen, maar tevergeefs. In de omgeving van het dorpje waren zoveel heuvels, valleitjes, grotten en velden waar de groep zich met gemak verstopt zou kunnen hebben dat het zoeken was naar een speld in een hooiberg. Tegen het eind van de middag keerder we terug naar het dorpje, waar Duffel ineens één van zijn ingevingen volgde en met Max op zoek ging naar iets ondergronds. Ze vonden één of andere grot vertelden ze later, waar ontzettend veel paddestoelen groeiden, maar die niet geoogst werden. In een kooi lag het restant van een mens, gekke Albert, met een verroeste scabberd en een mooi glimmend zwaard die de aasgieren natuurlijk meegenomen hebben. Ik voorspel problemen, niets goeds is ooit voortgekomen van de doden verstoren, maar goed, dat merken ze dan verzelf wel.

werewolves.gif

Ondertussen was het zeker al het begin van de avond, en de dorpelingen begonnen onrustig te worden. Ramen en deuren werden gebarricadeerd, en het werd steeds stiller op straat. We hielden de wacht in het centrum van het piepkleine dorpje, een pleintje met een waterput in het midden. En zowaar, toen de avond inviel en de volle maan verscheen, steeg het eerste wolvengehuil uit het bos op. Even dachten we het verstandig zou zijn de groep wolven buiten het dorp te confronteren, maar toen een tweede gehuil uit een heel andere richting kwam renden we toch terug naar het plein, blijkbaar hadden ze het dorp al omsingeld.

Op het plein zagen we in de verte al schimmen door de straten vliegen, en deze wolven, hoewel geen pony’s, waren zeker groter dan de gemiddelde wolf. De leider was een grote zwarte wolf met een meedogenloze rij tanden en bloedlust in zijn ogen. Toen hij voor me stond probeerde ik met een spreuk hem te kalmeren en duidelijk te maken dat we hem geen kwaad wilden doen, maar hij schudde de spreuk van zich af alsof het een lastige vlieg was, en hij sprak tot me in een grommende mensenstem: “Gebruik je magie voor eekhoorntjes!” Op dat moment besefte ik dat het niet om een gewone wolf ging, maar één of andere helse halfwolf, en dat was ook het moment dat hij aanviel. Ik had net tijd om een magische pijl van zuur op zijn kop af te vuren, toen zijn kaken zich om mijn nek sloten. Voor ik neerging had ik nog vaag het idee dat iets duisters zich meester van mij probeerde te maken, maar ik had net genoeg kracht over om dat van we af te werpen voordat het zwart voor mijn ogen werd.

Toen ik bijkwam zag ik dat Tatjane de grote wolf had weten te verslaan, en de rest de andere wolven had ingemaakt. Blijkbaar waren ze erg gevoelig voor het glimmend zilveren zwaard wat Max en Duffel in de grot hadden gevonden. Tot mijn verbazing zag ik dat de diverse wolvenlijken langzaam aan het veranderen waren in mensen! Dit moeten dus weerwolven geweest zijn, een fenomeen waar ik wel ooit iets van gehoord heb, maar nooit geloofd heb. De dorpelingen waren bijzonder gelukkig met de overwinning, hoewel er nog wel om de diverse dode dorpeling-wolven werd gerouwd. We kregen een slaapplek voor de nacht zodat we konden uitrusten.

21 Flamerule 1381

De volgende ochtend werd ik door een lichtelijk verontruste Duffel van de ontbijttafel gehaald om in zijn kamer te kijken. Toen ik de deur binnenkwam zag ik dat de hele kamer werkelijk onder de paddestoelen zat. Er zat er zelfs één op Duffel’s voorhoofd! Bedremmeld vroeg Duffel of de paddestoelen niet misschien giftig waren, terwijl hij me een exemplaar overhandigde van een gewone geschubde inktzwam waar een hap uit was genomen. Ik stelde hem grinnikend gerust, maar bij nader onderzoek zag ik dat er tussen de diverse soorten zwammen ook een paar zwarte donderdozen stonden. Ik vertelde hem, terwijl ik de twee exemplaren in een aparte pouch stopte, dat hij voor deze paddestoelen moest oppassen, omdat het resultaat van deze paddestoelen nogal onvoorspelbaar was, het effect was óf heel goed, óf heel slecht.

mushrooms.jpg

Na het ontbijt vertrokken we weer richting Berdusk, waar we tegen het eind van de ochtend aankwamen. Het was wederom een stralend mooie dag, en aangezien broeder Fulminictus nog niet helemaal hersteld was besloten we nog een dagje te wachten. Iedereen ging zijn eigen weg, terwijl ik Menharin opzocht. Gisterochtend had hij aangegeven me te willen spreken zodra ik terug was. Toen hij me zag wenkte hij me mee. We liepen door een uitgebreid gangenstelsel onder de herberg, steeds verder en dieper liepen we van de herberg af, tot we bij een grote ronde deur kwamen. Voor de deur stond de elf Galor Ostranius, met zijn kenmerkende grijns. Hij liet ons binnen en toen ik zag waar ik was kon ik letterlijk geen zinnig woord uitbrengen. We stonden in een bos, compleet met bomen, planten, en een bonte verzameling dieren. En het was niet zomaar een bos, het was het heiligste stuk bos voor druïdes waar ik vanaf wist. Het was de Tuin van Ginsilor!

Menharin vertelde me dat ze hier alle soorten bomen en planten verzamelden, en ze vroegen aan mij om hun hierbij te helpen. Ze gaven me een leren buidel, wat ik in die buidel zou stoppen kon Galor uit zijn buidel halen. Alle zaden en vruchten van de bomen en planten die ik tegenkwam kon ik zo naar hun overbrengen. Alsof de eer om gevraagd te worden hieraan mee te werken nog niet genoeg was, zou ik ook nog een beloning krijgen als ik tien verschillende soorten zou doorgeven.

magicforest.jpg

Ik mocht nog even op mijn gemak in het stuk woud rondwandelen, om alles in me op te nemen, ik had alle tijd zei Menharin. Hoe waar dat was besefte ik toen ik naar buiten liep, het was alsof ik slechts enkele minuten binnen was geweest.

We liepen terug naar de algemene ruimte en nu ik toch zo in gesprek was vroeg ik hem gelijk naar de donderdozen, en of er misschien een manier was om erachter te komen of ze goed of schadelijk waren, maar de enige manier om daarachter te komen is om ze te proberen, zei Menharin. Voorzichtig nam ik een hapje, maar dat had ik dus beter niet kunnen doen. De hap was zo smerig, en het begon te krioelen in mijn mond, dat het uitspuugde, waarna het wegkroop en groeide en groeide tot er een volwaardig roestmonster voor mijn neus stond. Gelukkig kwamen op dat moment mijn reisgenoten één voor één binnen, anders had de schade een stuk groter geweest. Max wist een paar goedgemikte pijlen het beest neer te halen, terwijl Tatjane een poging deed met haar hamer, maar alleen de tafel raakte. Dat was achteraf misschien maar goed, want de pijlkoppen van Max’ pijlen waren volledig doorgeroest toen hij ze uit het monster haalde.

rust.jpg

Die avond vertelde de rest nog wat zij gedaan hadden. Blijkbaar had Duffel in een kroeg gezeten met een groep halflings, die hem opgezocht hadden om iets te weten te komen. Ze waren op zoek naar een spookschip met een juweel aan boord, de “Woede van Nas’r”. Duffel heeft via zijn kaarten wat belangrijke aanwijzingen kunnen geven en is daarvoor rijkelijk beloond.

Fallon en Tatjane waren met broeder Fulminictus naar de muziekwinkel “Dageraad van de Dag” geweest. Vol trots liet Fallon zijn nieuwe luit zien, en hij vertelde lyrisch over hun bezoek aan de winkel.

magic_shop-969296.jpg

Die avond slapen we voor het laatst in de “Rennende Ree”. Het is ongetwijfeld de beste herberg die ik ooit gezien heb en niet geëvenaard kan worden in schoonheid en rust. Ik zal het hier missen, niet zoveel als mijn eigen stukje moeras, maar meer dan menig andere plaats.

22 Flamerule 1381

Wederom is de kamer van Max en Duffel bedekt met paddestoelen. Ik snap niet dat ze dat zwaard niet weg doen. De last van het opruimen kan toch niet opwegen tegen de onbeperkte voorraad eetbare zwammen. Maar goed, zolang ze oppassen met de donderdozen en het mijn spullen niet aantast gaan ze hun gang maar.
Toen we net onderweg waren dacht ik vanuit mijn ooghoek Duffel een stukje zwarte paddestoel te zien eten. Ik zette me al schrap op een volgend roestmonster, maar blijkbaar had dit een ander effect. Het tempo van de kar versnelde wat en al spoedig naderde Scornubel.

23 Flamerule 1381

De volgende ochtend kwamen we aan in Scornubel, enkele uren eerder dan gepland. Het was verschrikkelijk druk in de stoffige handelsstad, het midzomerfeest is immers al over een week. De herbergen zaten stampvol, maar broeder Fulminictus bleek wederom een waardevolle vriend, en we kregen een slaapplek aangeboden in de tempel van Lathander.

Terwijl we het ons gemakkelijk maakte na een paar dagen reizen, liep Tatjane naar het stenen fort wat we net buiten de stad hadden zien staan. Dat was de tempel van Tempus, een god waar ze zich wat meer in wilde verdiepen. Wat er precies gebeurd is heeft ze nog niet verteld, maar de volgende ochtend kwam ze onder de blauwe plekken en wonden, maar met een grijns van oor tot oor en een flinke wijnwalm om haar heen aan de ontbijttafel zitten en ze vertelde ons dat we die middag met de gebroeders Golnoth zouden vechten in de ‘bloedput’ ter ere van de ‘bloedweek’. In deze staat zou ze nog geen deuk in een pakje boter slaan, laat staan in twee ogers, dus ik heb haar eerst naar bed gebracht waar ze tot in de namiddag haar roes uit heeft geslapen.

24 Flamerule 1381
Rond een uur of vier ’s middags zouden we verzamelen we bij de arena van het fort van Tempus, de zogeheten ‘bloedput’. Het hele idee van vechten als vorm van vermaak staat me niks aan, maar ik kan Tatjane ook niet alleen naar binnen laten gaan, impulsief als ze is heeft ze al beloftes gemaakt.

Na een verfrissend bad en een stevige maaltijd was ze weer min of meer ‘de oude’, en fit genoeg om ieder geval een goede kans te maken tegen die gevreesde ogerbroers.

ogres.jpg

In de arena bleek het gevecht goed georganiseerd te zijn. Onder aanmoediging van honderden uitzinnige stadbewoners en veel aanhangers van Tempus werden we de arena ingeleid. Niet veel later kwamen ook de twee enorme ogers binnen, met een handevol kobolds. Ik kan me niet herinneren dat Tatjane het over kobolds gehad heeft, maar ze leek niet verbaasd, dus het kwam voor haar (als enige van onze groep) niet als verrassing. Naast me hoorde ik Max verontwaardigd mompelen.

Ik koos mijn positie achter Tatjane, dit was haar gevecht, het halve publiek scandeerde haar naam, en zij ging voor eer en glorie (en Tempus?) twee ogers te lijf. Uiteraard zouden we haar bijstaan, genezen waar noodzakelijk, waarschijnlijk de kobolds voor ons rekening nemen, maar als we iets van haar duel met Langdedrosa Scionwrath geleerd hebben, is het dat Tatjane graag haar duels zelf afmaakt. Dus zodoende begon op het teken van de enigszins onpartijdige priester van Tempus het gevecht.

Fallon zong ons wat moed in, en de Golnoth-bende wat moed in de schoenen, terwijl Tatjane de eerste knieschijf verbrijzelde. Zoals ik dacht wisten Max, Duffel, Fallon en ik één voor één de kobolds uit te schakelen, terwijl Tatjane als een ware ballerina om de lompe ogers heen danste. Hier en daar ving ze een klap op, maar ze wist er meer te ontwijken, en minstens evenveel uit te delen. Op een gegeven moment werd ze vol geraakt door één van de broers, maar geluk of een toekijkende Tymora liet haar vlakbij mijn genezende handen landen, wat haar genoeg kracht gaf om het gevecht af te maken.
De tribune ontplofte figuurlijk toen de tweede oger door zijn knieën zakte, iedereen riep Tatjane’s naam, en de uitdrukking op haar gezicht doet me vermoeden dat we dit verhaal nog vele malen in vele verschillende herbergen en in oplopende variaties van episch-heid gaan horen…

Comments

Ah prachtig, ik heb het laatste stuk met een glimlach zitten lezen. Bedankt!

sessie 7 Queen of the Dragonhoard
mikevanschijndel verosjaak

I'm sorry, but we no longer support this web browser. Please upgrade your browser or install Chrome or Firefox to enjoy the full functionality of this site.