Tyranny of Dragons

Sessie 11 Queen of the Dragonhoard
14 januari

1 Eleasis 1381
Met Kima over haar schouders loopt Tatjane over de boeg naar de boot waar ze mee gekomen zijn. Schipper Karrul zit nog te wachten en kijkt gespannen toe hoe de ‘Woede van Nas’r’ langzaam maar zeker in elkaar stort. Duffel en Fallon dragen gezamenlijk de kist met schatten waar Snirfimble op zit. Terwijl Kima nog bewusteloos is, zet de rest het verhaal wat ze haar gaan vertellen even op een rijtje. Ze vertellen de druïde niet dat Tatjane haar neergeslagen heeft omdat ze bezeten was van het duistere kristal Xhasni, maar dat er een balk op haar hoofd is gevallen, die ook toevallig het kristal vernietigd heeft.
Zodra Kima in de boot ligt stopt Tatjane, ondanks het gestrubbel van Duffel, nummer zeven van de Tranen van Tymora in Kima’s buidel, zodat ze nu de set compleet heeft. De kapitein wordt wat zilver toegestopt, en na enkele uren staat de groep even na middernacht weer in de havens van Baldur’s Gate. Ze worden opgewacht door Imirin Landrenner, die Tatjane apart neemt en vertelt dat er mensen naar haar gevraagd hebben. Tatjane, te moe om helder na te denken, vraagt haar naar hun herberg The Blade and Stars te komen.
Daar aangekomen ploffen Snirfimble en Kima meteen uitgeput in hun eigen bed neer, terwijl Tatjane in de huiskamer van hun vleugel Imirin ontvangt. In de Outer City zijn er mensen geweest die naar 2 personen rond hebben gevraagd die voldoen aan de omschrijving van Tatjane en Leosin Arlanthar. Ze vraagt Tatjane voorzichtig te zijn, en in training te komen. Ook vertelt ze dat de karavaan van Rezmir en de rest van de Cult of the Dragon inmiddels vertrokken is uit Beregost, en met zo’n 7 tot 9 dagen in Baldur’s Gate wordt verwacht.

void_worm.pngOndertussen zijn Duffel en Fallon bij de poort naar de Upper City belandt. Ze worden vriendelijk doch dringen verzocht een overnachting in de Lower City te zoeken, aangezien er niemand ’s nachts over straat mag in de Upper City. Met hun natuurlijke charmes en overtuigingskracht weten ze de wachter er toch van te overtuigen dat ze naar binnen mogen, en ze worden zelfs geëscorteerd. Eenmaal in hun herberg The Helm and Cloak zien ze Roge Standers daar, die meteen uitvoerig wordt ingelicht over het verslaan van de ondoden op het spookschip.
En terwijl Fallon na een lange nacht vol goed voedsel en uitvoerige verhalen zijn hoofd op zijn kussen laat rusten, tuurt Duffel naar de sterren. Hij vertelt hen wat er is gebeurd, en vraagt wat hem verder te wachten staat. De sterren antwoorden niet direct, maar sturen wel een lichtgevende Void Worm die vrolijk om Duffel’s hoofd draait en verandert van lang naar kort, naar dik en dun.

2 Eleasis 1381
Ze valt dieper en dieper en dieper. Dat is het enige wat ze voelt en wat ze is, een vallende en dovende vlam in het duister. Wild slaat ze met haar armen om zich heen, ze schreeuwt het uit. Dit is het einde. De duisternis om haar heen vult zich met een oorverdovend gekrijs. In deze gekmakende val begint zich een besef te ontwikkelen. Ergens aan de horizon van haar bewustzijn ligt iets op haar te wachten. Maar bevindt die horizon zich in deze eindeloze diepte die haar steeds verder opslokt? Hongerig en dwingend? Ze valt dieper en dieper…
Badend in het zweet en behoorlijk gedesoriënteerd schrikt Kima wakker uit haar droom. Wederom is ze dus weer de eerste die op is. Een paar uur later waren Tatjane en Snirfimble ook wakker, waarna Tatjane haar probleem voorlegt. Ze besluiten dat er een vermomming moet komen, en op verzoek van Tatjane wordt Duffel niks vertelt, uit angst dat hij zijn mond voorbij praat.
Plots wordt er geklopt. Er staat een kale, dikke man voor de deur die zich voorstelt als Favil Blanthe, leider van de Flaming Fists. Hij bedankt de groep en komt de beloning brengen. Tatjane vraagt hem in het archief te kijken naar de namen Jim en Kaja, de kinderen uit de Brief van de Zeeman. Ze praten nog wat na over het beleven van avonturen, en bij het afscheid zien ze dat Favil vergezeld was van Duke Abdel Adrian. Eén van de leiders van de stad die zelf in zijn tijd menig avontuur beleefd heeft.

Fallon en Duffel voegen zich even later bij de rest en bespreken de plannen voor die dag. Duffel begint over het planetarium in de Hall of Wonders, en Fallon en Snirfimble besluiten mee te gaan, ook voor het museum en de bibliotheek die in hetzelfde gebouw te vinden zijn.
Tatjane gaat trainen met Imirin, en Kima zoekt haar eigen weg naar de haven. Daar zoekt ze Laraelra Thundreth op, kapitein van de Low Lantern, die haar informatie had beloofd in ruil voor de zeven Tranen van Tymora. Ze wordt direct meegenomen naar de kapiteinshut waar Laraelra de edelstenen rustig bekijkt. Ze knikt en vertelt Kima wat ze weet over de ‘Kapitein’s Waard’ en zijn bemanning. Dat is namelijk dat het schip voor het laatst uit Baldur’s Gate is vertrokken op 23 Tarkash 1377. Een tikje sceptisch kijkt Kima Laraelra aan. Is dat nu waar ze haar leven voor gewaagd heeft? Een simpel feitje uit een stoffig havenarchief?
Wat ongemakkelijk schuift Laraelra in haar stoel. Ze lijkt te beseffen dat de prijs wel erg hoog was. “Ohja, en één van de bemanningsleden is achter gebleven, Magere Pieter. Hij schijnt nog in Little Calimshan te wonen, en hij komt vaak in de Green Chalice, de lokale bar daar.” Ze nemen afscheid en met een licht gevoel dat ze afgezet is loopt Kima terug naar de herberg.

Hoewel Fallon en Snirfimble al eerder uitgekeken waren in de Hall of Wonders, is het al sluitingstijd geweest als de medewerkers Duffel vriendelijk verzoeken het planetarium te verlaten. Ook Tatjane heeft haar dag goed besteed. Uitgeput van een zware training met Imirin hoort ze de enthousiaste verhalen van Duffel aan. En het duurt niet lang eer een ieder zijn kamer opzoekt om de laatste resten vermoeidheid van de avonturen weg te slapen.

3 Eleasis 1381
Narder_Ollum.jpgEen nieuwe dag met nieuwe kansen, en wederom ontmoeten de helden elkaar aan de ontbijttafel van The Blade and Stars. Plannen worden gesmeed, Duffel is erg enthousiast over het planetarium, maar krijgt dit keer niemand mee. Snirfimble besluit het boek De Kronieken van de Koning verder te bestuderen, terwijl Kima de natuur om zich heen wil en een wandeling buiten de stad wil maken. Tatjane biedt aan het schild van Baldur’s Gate, wat ze gevonden hebben op de ‘Woede van Nas’r’, bij het museum af te geven voor ze naar haar training met Imirin zou gaan. Onderweg slaat het noodlot echter toe als ze per ongeluk in een verkeerd steegje belandt waar een grote gedaante voor haar opdoemt uit de schaduw. Achter zich sluiten drie mannen haar in, en er volgt een kort maar hevig gevecht.
Een scherpe pijn siddert door haar lichaam. Verschrikt kijkt Tatjane naar beneden. Onnadenkend grijpen haar handen naar het zwaard wat uit haar buik steekt. Haar tegenstander wrikt het zwaard nog dieper. Ze kijkt omhoog en ziet zijn gezicht, zijn kwaadaardige donkerbruine ogen en gemene glimlach. Ze proeft de zilte smaak van bloed en dan, dan wordt het zwart voor haar ogen. Het laatste lichamelijke wat ze nog voelt is de scherpe pijn in haar hoofd die tegen de stenen slaat op het moment dat ze in elkaar zakt.

Uit de verte klinkt een diepe, zware stem. “Meisje, meisje toch. Wat heb je jezelf aangedaan.” Ze knippert heftig met haar ogen in de hoop snel gewend te raken aan deze duisternis. Vaag in de verte ziet ze een bekend gezicht. De gedaante komt dichterbij en heel even lijken de contouren van haar vader scherper te worden. Maar terwijl ze haar ogen toeknijpt om het beeld helderder te krijgen veranderd de gedaante in Ontharr Frume. “Terminus!”, roept ze uit. Nog steeds komt de gedaante dichterbij en nu alsof het heel helder wordt, verandert de gedaante in een onbekende man, echter herkent Tatjane hem meteen. Hij is groot, gespierd en ziet er erg sterk uit. Zijn gezicht staat streng. Hij wordt omringt door vlammen. Vlak voor haar staat hij stil. Vol ontzag kijkt Tatjane omhoog naar Tempus. Aan zijn strenge gezicht ontsnapt een glimlach, zij het een droevige.

Tempus.jpg“Zo Tatjane, blijkbaar heb je mijn leer toch niet goed bestudeerd”, zegt Tempus terwijl hij haar streng aankijkt. Snel wendt Tatjane haar ogen af. “Maar heer, je was mij zo goed gezind, zeker aan het begin van het gevecht. De slagen ontweek ik als een danseres zoals Imirin mij heeft geleerd en…” Tatjane zoekt naar woorden. “En wat er in het verleden allemaal gebeurd is. Dragonborn, Ogers, een ondode Minotaur en zelfs een Beholder! Alles bezwijkt onder mijn hamer. Waarom kon deze man mij verslaan?” Ze kijkt omhoog en ziet Tempus zijn hoofd schudden in ongeloof wat hij hoort. “Je bent nog zo jong en moet nog veel leren”, zegt Tempus zacht. Opeens klinkt zijn stem bulderend in de leegte. “Maar hoor je wel wat je zelf zegt? Je bent geen god, maar een miezerige mens! Een miezerige mens die dankzij haar doorzettingsvermogen en eigenwijsheid tot hier gekomen is. Maar die eigenwijsheid is je dood geworden!” Verschrikt doet Tatjane een stapje achteruit. “Je bent geen almachtige vechter, maar onderdeel van een team,” vervolgt Tempus op een zachtere toon zijn preek. “Al deze gevechten waren een succes dankzij je kameraden. Maar natuurlijk sta je vooraan, je bent sterk en kundig, maar je hebt ten alle tijden je kameraden nodig! Alléén ben je veel minder sterk dan samen. Jij hebt hun kracht nodig om zelf overeind te blijven. Natuurlijk probeer ik je te helpen, maar ik kan je niet onsterfelijk maken.”
“Ken je grenzen!”, buldert hij weer. “Je bent niet de enige die gelooft in een sterke god, helaas zijn er ook kwaadaardige goden die graag hun volgers helpen. Je bent niet de enige die traint en in de meest bizarre gevechten is belandt. Ja, ik zeg mijn vechters dat ze dat gevecht moeten aangaan, maar ik vertel ze ook dat als het uitzichtloos is ze voor hun eigen leven moeten kiezen. Blijf leven om een ander gevecht weer aan te gaan! Maar nu, nu is het te laat.” En hij schudt droef met zijn hoofd.

Opeens onderbreekt een helder licht hun gesprek. Verblind door dit licht raakt Tatjane gedesoriënteerd. Tempus staat steeds verder van haar af, maar beweegt niet. Stilte in de duisternis. Opeens beseft ze dat ze valt. Er komt licht van voren en het duwt haar achterwaarts de leegte in. “Het is goed Tatjane, geef je over aan het licht. En onthoudt wat ik je gezegd heb. Je hebt altijd je kameraden nodig! Ken je grenzen!” De diepe stem vervaagt steeds verder en Tempus verdwijnt. Opeens stopt het vallen en wordt ze omringt door water. De noodzaak om haar adem in te houden neemt het over, maar er is geen oppervlakte hier. Het lukt haar zelfs niet om te zwemmen. Haar lichaam snakt naar adem en zonder dat ze het wilt haalt ze diep adem. Ze verwachtte een stekende pijn van het water in haar longen, daarentegen wordt haar lichaam verlicht met verse, heerlijke adem. Met elke ademteug vervaagt de zwaarte die haar naar beneden duwt en voelt ze zich stijgen. In de verte hoort ze een vrouwenstem onherkenbare worden prevelen. Ze raakt steeds dichter bij de oppervlakte en ziet vlak bij zich een lichaam drijven. Haar lichaam. Zonder enig moeite te hoeven doen glijdt haar ziel steeds dichter naar haar lichaam, tot ze één zijn. Met een klap komt alle pijn weer terug, het verlichte gevoel is weg en wordt vervangen door zwakte, verdriet, lichamelijke pijn en woede. Verwoed probeert ze haar armen en benen te bewegen, maar het duurt enkele momenten voor ze de controle over haar lichaam heeft gevonden en ze grond onder haar voeten voelt. Zodra ze staat raakt haar gezicht het wateroppervlak en ziet ze aan de rand van een bad haar vrienden staan. Hun gezicht spreekt boekdelen, angst, verdriet en hoop. Ze loopt op hun af en valt bij de rand van het bad snikkend ineen.

De schaamte overvalt haar. Ze probeert zichzelf te bedekken, maar het is niet haar naaktheid waar ze zich voor schaamt. Fallon legt zijn cape om haar heen, kijkt haar droef aan en loopt weg. Snikkend vertelt ze het verhaal over een man in een plaatharnas met een enorm groot zwaard. Wat ze zich voornamelijk nog herinnert is dat er al bloed op het zwaard zat voordat het gevecht begon.

Het is inmiddels een dag later, rond het middaguur. Het had niet lang geduurd eer Fallon leerde dat Tatjane overleden was. Hij had kinderen vermaakt met zijn pas gekochte muziekdoos, en de commotie op straat was aanzienlijk. Toen hij de hamer van Tatjane voorbij zag komen wist hij dat er iets mis was. De hamer pakte hij af, en hij rende naar de wachters die bij het lichaam onderzoek deden. Met zijn natuurlijke overtuigingskracht wist hij zich langs de wachters te werken waar zijn meest donkere vermoedens bevestigd werden. Tatjane lag, volledig ontdaan van pantser en waardevolle spullen, in de steeg. Hij zag meteen dat er één vinger afgesneden was, en de ketting met de zegelring van haar hals was getrokken.
water-queen.jpgHet lichaam werd vrij snel afgevoerd naar The Seatower of Balduran, het hoofdkwartier van The Flaming Fist, en Fallon liep mee. De rest van de groep werd met een boodschapper op de hoogte gebracht en die avond werd een plan van aanpak opgesteld. Dit mocht niet het einde zijn voor de dappere krijgster. Er moest een godheid gevonden worden om haar nog een kans te geven, en de kaarten van Duffel vertelden de groep dat ze bij de god van de zee moesten zijn. Zodoende werd een bezoek gebracht aan The Water Queen’s House, de tempel van Umberlee, godin van de zee. Hier werd ze verteld dat een resurrectie mogelijk was, maar wel tegen een prijs. Duizend goudstukken zou de groep moeten verzamelen.

4 Eleasis 1381
Alle resten en opbrengsten van de afgelopen tijd werden bij elkaar gesprokkeld, de edelstenen die Tatjane gevonden had in de broedkamer bij Greenest werden verkocht en zo had de groep net genoeg om Tatjane terug te brengen. Bij de tempel aangekomen droegen de priesteressen het ontklede lichaam van Tatjane naar het water terwijl ze hun gebeden zongen, ruisend als de golven van de zee. Na korte tijd kwamen ze terug zonder het lichaam, maar Tatjane volgde op eigen kracht.
priestess_umberlee.jpg
Zodoende zaten ze aan de rand van de waterput, met een snikkende Tatjane en een weggelopen Fallon. Zonder pardon werd Tatjane van haar mooie blonden lokken ontdaan, en vermomd in een cape met grote capuchon.
Het was van het grootste belang dat niemand wist dat Tatjane terug gekeerd was uit de dood. Ondersteund door haar vrienden wist Tatjane de weg naar The Helm and Cloak te vinden, waar ze in alle rust en comfort kon bijkomen. En zo zat de groep bij elkaar om een plan te verzinnen om de premiejagers op te sporen.

View
Sessie 10 Queen of the Dragonhoard
5 januari

De golven slaan tegen het rottende hout van mijn boeg. De onheilspellende stilte wordt slechts doorbroken door het klagende gejammer van de wind die door de loshangende restanten van de zeilen jaagt. Zelfs de golven lijken zo stilletjes mogelijk tegen mijn romp te slaan uit angst mijn woede over zich heen te krijgen. En zo hoort het. Maar, zowaar, een groepje avonturiers! Vier, nee, vijf stuks! “Kom naar binnen!” fluister ik ze zacht toe, “Kom naar binnen, en blijf voor altijd!” Ik ben wel toe aan verse zielen, vers leed, verse zondaars…

1 Eleasis 1381
Behoedzaam kruipt de groep rond het schip, maar er is geen ingang te zien, behalve de overduidelijke aan het dek. Tatjane, de meest behendige van de groep, klimt tegen de slijmerige boeg en na een paar keer proberen weet ze het dek te bereiken. Ze laat een touw zakken voor de rest en begint voorzichtig te verkennen. Ze ziet niemand, maar uit een kleine schoorsteen komt een ziekelijk groene rook, dus ze zijn zeker niet alleen aan boord.
Snirfimble kruipt als tweede aan het dek en begint gelijk de enorme balista te onderzoeken die op het voordek staat. Het ding is enorm, maar zoals alles aan het schip in vergaande staat van verval. De drie speren die ernaast staan zien er nog goed en scherp uit, maar zonder wapen zijn ze onbruikbaar. Misschien kan hij de balista wel repareren. Veel ervaring met dit soort wapens heeft hij niet, maar hoe moeilijk kan het zijn? Het zou wel wat tijd kosten en wat lawaai maken. Dat zou weer ongewenste gasten kunnen aantrekken. Misschien is het toch maar beter hier vanaf te blijven…
traan_tymora.jpgKima is de derde avonturier aan boord. En degene met een duidelijke missie: de zeven tranen van Tymora vinden! Die tranen kunnen dan weer gebruikt worden om meer informatie te krijgen van Laraelra Thundreth van de ‘Lage Lantaren’ over haar vermiste piratenfamilie van de ‘Kapitein’s Waard’. Het zouden een soort bruinachtige edelstenen moeten zijn wist ze. Erg bedreven is ze niet in schatten zoeken, dus het is zaak zo spoedig mogelijk de hulp van de rest in te schakelen.
Fallon volgt Kima omhoog, en hij hijst daarna gelijk Duffel op. Die had wat moeite met klimmen en was een paar keer lelijk van de boeg gegleden. Nog wat narillend stapt hij gelijk op de tafel met de halve fles rum af en neemt een slok. De alcohol glijdt door zijn keel en stroomt als gouden honingnectar door zijn lichaam. Verfrist, bemoedigd en verlost van alle schaafwonden en blauwe plekken duwt hij de fles in Tatjane’s handen. “Moet je proeven! Da’s goed spul man!” De rum valt echter flink verkeerd bij de blondine en met veel moeite weten Fallon en Duffel haar vast te binden aan de mast tot ze weer wat bij zinnen is.

minotaur_skeleton.pngEen snelle verkenning van het middendek levert een lijk vastgenageld aan de mast op, 3 deuren, waarvan één met de onheilspellende dwergenrunes erboven “Ieder die hier naar binnen gaat laat de hoop varen.” Voor er een grondige inspectie kan plaatsvinden duikt er echter een Minotaur Skeleton op, die maar met moeite neer wil gaan. In zijn bezittingen vindt de groep wat goud en de eerste traan van Tymora die Kima tevreden in haar buidel steekt.

Vooral Tatjane had het te verduren gekregen, maar ze werd geholpen door de beschermende spreuk van Snirfimble. Zolang de spreuk nog effect had besloot de groep maar gelijk de kamer aan de noordkant binnen te vallen, aangezien de rottende lucht weinig te raden overlaat. En inderdaad, zes ondoden staan binnen klaar de avonturiers een kopje kleiner te maken. Het gebrek aan behendigheid kost hun echter de kop, en niet veel later kan ook dit vertrek uitgebreid onderzocht worden. Dit levert zowaar de tweede traan op, en een kist vol koper en zilver.

Zo spoedig mogelijk ontvlucht de groep de kamer weer, en Kima, bemoedigt door de vondst van al twee edelstenen, klimt gelijk naar het kraaiennest, alwaar een piraat heel ervaren ligt te rotten. Er lijkt geen beweging in te zitten, dus voelt ze zich veilig genoeg om zijn zakken te doorzoeken. Ze vindt een rammelende tabaksdoos en wat losse goudstukken. Voorzichtigheid in de harde wind slaand opent ze de tabaksdoos en ziet daar een wat viezige derde traan! Kima poetst het tabak eraf, en klimt gelukzalig met haar vondsten weer naar beneden. De rest is aanstalten aan het maken de trap naar het middendek af te lopen, en rap holt Kima erachter aan.

lyrriaxis.pngDe voetstappen lopen over heel het dek. Van voor naar achter en van boven naar beneden. Dat is goed. De ziellozen zijn niet in staat ze tegen te houden. Verzwakken wel… Verder naar beneden. “Kom naar beneden” fluister ik zachtjes, maar ze horen me niet. Of toch? Ja! De kleine druïde hoort me, ik voel haar luisteren… “Dieper naar beneden… Kom naar onder en blijf hier…”

Ze komen uit in een laadruimte, erg onoverzichtelijk en bezaaid met kisten en vaten. Door de rommel heen lopen enkele paden die twee deuren in de noordkant van het vertrek verbinden met een gangetje aan de andere kant van het vertrek. Een vergrendelt traliehek leidt naar het onderruim waar op het eerste gezicht slecht de duisternis heerst.
Erg veel tijd om de ruimte te bestuderen hebben de avonturiers echter niet, want vanachter de vaten komen acht agressieve skeletten en ze vallen aan! Het blijken venijnige wezens, die met overmacht kunnen uithalen en alsof dat nog niet genoeg is krijgen ze ook nog versterking van de ondode kapitein Smetsteen, die met zijn stank van ontbinding diverse magen laat omkeren, en de zeeheks Lyrriaxis, het meest lelijke restant van een vrouw dat je ooit hebt gezien. Tezamen weten ze de strijd bijna in hun voordeel te beslechten. Tatjane heeft haar hamer in het rottende hout van het schip vast weten te slaan, Duffel is in blinde paniek weggerend en Fallon deed verwoede, doch nutteloze pogingen de zeeheks voor zijn charmes te laten vallen.
kap_smetsteen.jpg
Ondertussen is Kima in het nauw gedreven door een handjevol skeletten, wat alle druk op de kleine Snirfimble legde om orde op zaken te stellen. Deze krachtmeting is echter in de juiste handen, en de gnoom weet met zijn magie te bewijzen dat kracht en lengte niks met elkaar te maken hebben. Zo wisten ze het tij te keren, Kima kreeg de ruimte om haar wolvenvorm aan te nemen en de kapitein aan te vallen, Tatjane kon haar hamer loswrikken, en Duffel keerde terug met een hernieuwde zelfverzekerdheid terwijl Fallon eindelijk de juiste afstand tussen hem en Lyrriaxis had gevonden. Met een paar klappen was het afgelopen voor de kapitein en de resterende skeletten. Lyrriaxis herkende een overmacht als ze er één zag en koos het hazenpad. Ze rende omhoog en dook de zee in voordat iemand haar achterna kon gaan.

Vrijwel meteen werd het restant van de kapitein onderzocht, in een buidel aan zijn riem vindt Kima, inmiddels weer in haar druïde-zelf, een sleutel. Bij verdere inspectie van de vertrekken aan de noordzijde van het ruim, blijkt de kamer van de zeeheks een soort macaber laboratorium met een rare mengelmoes van alchemistische aparaten en keukengerei: flesjes, kistjes, potten, duistere boeken, bestek, eetgerei en aan de muur geprikte lichaamsresten van rottende monsters. In een manshoge donkere glazen tank aan de achterkant van het vertrek zwemt een ondode waterslang, die de ontmoeting met de groep niet overleeft.
Naast dit grote vertrek is nog een kleinere ruimte, die als voorraadkast dienst heeft gedaan. De etenswaren die er waren opgeslagen zijn echter al zo’n honderd jaar over datum, en dat is te merken aan de lucht die er vanaf komt. Aan het plafond van het hok hangt een piraat met een touw om zijn nek te bungelen. Van achter zijn ooglapje zien de onderzoekers iets glimmen, namelijk de vierde traan van Tymora.
Butterboot_island.jpgIn het gangetje vindt de groep diverse deuren naar diverse vertrekken met diverse interessante voorwerpen, zoals een symbool van Cyric op een kist met kaarsen, een zilveren ring aan de hand van een dode piraat, en een kist met een uitgebreide brief van Gerard de zeeman, bemanningslid van de ‘Woede van Nas’r’. Hij schrijft zijn vrouw en kinderen waar kapitein Smetsteen zijn schat begraven heeft, met bijgevoegde kaart van Butter Boot Island.
Uit een volgende kamer komt een weeïge lucht en bij het open doen van de deur ziet de groep een kamer die afgeladen is met kussens, kleden en een wijd assortiment rommel. In het midden van de kamer zit een klein gerimpeld, grijzig mannetje met een raar hoedje op zijn hoofd in een dik boek te schrijven. Hij is gekleed in simpele zeemanskleding maar heeft kleurige puntschoenen aan. In zijn handen heeft hij een bronzen pijp die de misselijkmakende en zeer penetrante rook verspreidt. Van onder de rand van zijn hoed kijkt het mannetje de groep met een onpeilbare blik aan en grinnikt: “Darobel, Darodoor.. Welkom.. Ik ben de Gibbes”

Op hun hoede en lichtelijk sceptisch kijken de individuele groepsleden terug. Dit is het eerste communicatieve wezen wat ze zijn tegengekomen sinds ze de sloep hebben verlaten. Tatjane en Fallon leggen gelijk hun hand op hun wapen, klaar om aan te vallen. Kima werkt zich echter naar voren en probeert het gesprek aan te gaan. De antwoorden van Gibbes zijn echter niet heel verhelderend, hij wil slechts een spelletje spelen. Fallon, niet van plan om iets of iemand op dit spookschip te vertrouwen, inclusief zijn reisgenoten, heeft hier echter geen geduld voor en schiet zonder waarschuwing een pijl op het raadselachtige wezen af. Deze verdwijnt in een penetrante rookwolk en laat slechts een eenzame laars achter.
Gibbes.png
Woedend over dit onbezonnen gedrag vliegt Kima hem verbaal aan. Haar onderbuikgevoel vertelt haar dat dit een sterke bondgenoot had kunnen zijn. Dat is nu aan hun neus voorbij gegaan. Mokkend gaat ze in een hoekje van de kamer zitten mediteren, terwijl de rest ook even hun rust pakt om bij te komen van het heftige gevecht met de kapitein en de heks. Terwijl ze dieper en dieper in trance raakt beseft ze opeens dat ze aan het vallen is, en hard ook. De wind suist snoeihard langs haar lichaam en haar rode krullen wapperen wild in haar gezicht. Zodra ze haar ogen probeert te openen vullen deze zich met tranen die ze achterlaat in de leegte achter haar.
Ze schrikt op uit haar droom en het duurt even voor ze zich beseft waar ze is, en vooral waar ze naar kijkt. Ze ziet namelijk voor zich het hoofd van de Gibbes, zwevend, en iets zegt haar dat de anderen dit niet zien. De Gibbes kijkt haar uitdagend aan en zegt: “Die vrienden van jou zijn niet geweldig, maar voor jou heb ik misschien wel wat. Dan moet je wel dit raadsel oplossen.” Kima knikt enthousiast, en de Gibbes gaat verder “Wat gebeurt eens per minuut, tweemaal in een moment, maar nooit in honderd duizend jaar?”. Even denkt de druïde na, en antwoord dan voorzichtig “De letter M.” De Gibbes grijnst, en verdwijnt weer in een subtiel, licht weeïg rookwolkje, en als Kima in haar handen kijkt, ligt daar de vijfde traan van Tymora!
gnoom_boek.jpgUitgerust, grotendeels genezen, en in het geval van Kima in een aanzienlijk beter humeur, trekt de groep er weer op uit om de rest van het schip te verkennen. Nu ze de sleutel van de kapitein hebben, loont het wellicht om de kapiteinshut op het bovendek beter te verkennen. Daar aangekomen, de dreigende runes heel hard negerend, zien ze op het bed een figuur liggen in een wit gewaad. Op wat roepen wordt niet gereageerd, dus treedt de groep naderbij. Het blijkt om een vrouwfiguur te gaan, in verregaande staat van ontbinding, en dus in een witte jurk. In de hut vinden ze verder het logboek van de kapitein, wat navigatie instrumenten en kaarten een groot, zwaar boek met een dikke bruine leren kaft. Op de kaft staat een groot rijk van Gnomes gegraveerd. Snirfimble is uiteraard gelijk geïnteresseerd en neemt het boek mee.
Op het bovendek bij het roer hangt aan de achterkant een sloep waar een grote kist in staat. Na enig overleg besluiten ze de lichtste van de groep in de sloep te helpen, zodat de kans op instorten minimaal is. Snirfimble is de gelukkige en vindt in de kist nog een traan van Tymora die hij aan Kima geeft. Verder is er niet veel bijzonders te vinden, dus besluit de groep gehoor te geven aan het gefluister en dieper het schip af te dalen.

“Ja, goed zo. Kom maar naar beneden! Voorzichtig, laat jullie ogen rustig wennen aan mijn duisternis, glij niet uit over de slijmerige treden, schrik niet van mijn vrienden en kom verder, kom verder!” Nog even, nog heel even dan heb ik nieuwe vrienden, nieuwe beschermers, nieuwe zielen…. Nog één obstakel….

Het luik opent met de sleutel van de kapitein en behoedzaam turen de avonturiers naar beneden. Ze zien echter niet veel meer dan een enkele meter het ruim in. Duisternis heerst daar in alle mogelijke manieren. In een spaarzaam moment van waakzaamheid controleert Kima met haar magie op valstrikken, en vindt op de bovenste trede een vuurval die zorgvuldig wordt vermeden tijdens het afdalen. Met Tatjane voorop gaat de groep voorzichtig naar beneden. De duisternis wordt alleen maar dichter, en onderaan de trap ziet de groep werkelijk geen hand voor ogen.
zombie_beholder.jpgZodra Tatjane voet op de bodem zet, herrijzen uit de dikke slijmlaag vier zombies. Of ze daar verstopt lagen, of terplekke zijn samengesteld uit de smurrie op de bodem is niet duidelijk, wel duidelijk is dat ze net zo hardnekkig ondood zijn als hun collega’s op het bovendek. En wat ook snel duidelijk wordt is dat ze versterking hebben. Een zombie beholder zweeft dreigend rondjes rond de groep en een ieder die onder zijn staar valt heeft een onzekere toekomst.
Met vereende krachten weet de groep de aanvallen keer op keer van zich af te slaan. Niet zonder slag of stoot, maar uiteindelijk stort de zombie beholder dood neer. Niet veel later is ook de laatste zombie tot pulp geslagen. Duffel wordt weer bijgebracht, het stof kloppen ze van zijn kleding, en tezamen onderzoeken ze de deuren die aan de zuid- en noordkant uit het vertrek leiden. De deur aan de zuidkant leidt naar een kamertje waar de groep een groot zwart, ruw, kristal in het midden van de kamer ziet zweven…

Op het nippertje! Ik wist dat ze het zouden halen, kom maar bij me, dichterbij… “Druïde! Ik ben Xhasni, de scherven van Cyric. Bescherm mij, overtuig je vrienden, en bescherm mij. Er zijn er die mij kwaad willen doen, er zijn er die mij kapot willen maken. Laat dat niet gebeuren! Laat al die offers aan mij niet voor niets zijn.”

Kima was naar het kristal gelopen en omarmde haar met lijf en ziel. Een vreemde gloed was over de kleine druïde gekropen, ze leek niets meer te geven om haar vrienden, haar queeste of haar vrienden. Even leek de rest mee te gaan in haar overtuiging. Even leken ze vastbesloten Xhasni te beschermen, haar ver weg te houden bij de zogenaamde helden die haar wilden vernietigen. Snirfimble was de enige die de waanzin van de situatie inzag en de rest weer bij zinnen bracht. Ze besloten, zonder Kima, naar de andere kamer te gaan om daar te overleggen.
In de noordkamer vonden ze een grote blauwe edelsteen, een elementaal kristal van lucht, en de zevende en laatste traan van Tymora. Het doel was duidelijk, het kristal moest vernietigd worden en Kima het liefst heelhuids weer mee naar buiten. Daarna zou zo snel mogelijk de fik in dit hele schip gestoken moeten worden om alle kwaadaardige sporen uit te wissen. Tatjane weigerde eerst, maar Fallon wist haar over te halen Kima neer te slaan, om daarna het kristal stuk te slaan.zwart_kristal_tekening.jpg

Je vrienden… Je hebt ze overgehaald, toch? Wat zijn ze aan het doen? “HÉ! DAT IS MIJN DRUÏDE! Wacht, wat doen jullie?! Bescherm mij! Verraders!! Mijn wraak zal zoet zijn…”

Met een luide knal spat de Xhasni uiteen na enkele welgemikte klappen van Tatjane’s hamer, en het hele schip begint te wankelen en trillen na het verdwijnen van de magie van het zwarte kristal.
Tatjane tilt haar bewusteloos geslagen vriendin over de schouders en zo snel als ze kunnen rennen ze naar boven, het schip af, de frisse lucht in, en hun vrijheid tegemoet.

View
Sessie 9 Queen of the Dragonhoard
29 december

30 Flamerule 1381
Het is een drukte van jawelste in de havens van Baldur’s Gate. Terwijl de groep nog een beetje bedremmeld om zich heen staat te kijken, zien ze een kleine man in een grote gele jas aan komen wandelen, een krukje neer zetten, op het krukje gaan staan en luidkeels het volk aanspreken:
“Luister, mensen van Baldur’s Gate! Naar de mond van Baldur! Het land verandert en Baldur houdt zijn burgers op de hoogte! Kom vanavond allen naar de Midzomernacht op The Wide in Upper City. Muziek, spelen, eten, drank en blijdschap voor iedereen! Ook dit jaar verzorgt Felogyr het grootse vuurwerk! Voor het meest spectaculaire vuurwerk wat er op de hele Sword Coast te ontsteken is. Kom nu naar Felogyr voor fakkels die branden in alle kleuren van de regenboog. Deze gehele dag kun je tevens drie Dwergenklappers voor de prijs van twee kopen! Felogyr! Voor het beste vuurwerk!”

Vervolgens stapt hij zijn krukje af, vouwt het op, en wandelt weer weg naar het volgende punt waarop hij zijn mededelingen doet.
Opeens hoort Fallon achter hem wonderschone klanken uit het geruis van de omgevingsgeluiden opstijgen. Hij draait zich om en ziet oude, blinde man staan met wit haar en minstreel kleding die, hoewel van goede makelij, duidelijk zijn beste tijd heeft gehad. Hij biedt de groep aan een rondleiding door Baldur’s Gate te geven voor een enkel goudstuk. Gretig nemen ze dit aanbod aan. De oude man stelt zich voor als Adan en begint gelijk met vertellen. Hij vertelt over de bedrijvigheid in de grijze havens, de 77 metalen draken die de priesters van Gond gemaakt hebben, de verschillende handelsroutes die Baldur’s Gate tot de huidige handelsstad maken en de oorsprong die in de piraterij ligt.

Baldurs_Gate_gebouwen.jpg

Ze bevinden zich op dat moment nog in de Lower City, het nauwe, opeengepakte deel van Baldur’s Gate. Hier zijn een paar bijzondere gebouwen, te weten de tempel van Umberlee waar weduwen van overleden zeelui de dienst uitmaken, de zeetoren van Balduran waar de Flaming Fists zich gevestigd hebben, het standbeeld van Baldurian en natuurlijk de poort waar Baldur’s Gate naar genoemd is. De wijsgeer Asturgel zei hier ooit over: “In the Lower City leven en werken wij slordig en haastig boven op elkaar gezeten”.

Vlak voor ze de poort doorlopen ziet de groep weer een gele jas aankomen, dit keer om een lange man, maar wederom met een krukje en een scroll onder zijn arm. De man vouwt het krukje uit, stapt erop en begint zijn relaas:
“Luister, mensen van Baldur’s Gate! Naar de mond van Baldur! Het land verandert en Baldur houdt zijn burgers op de hoogte! In Lower City zijn wederom enkele lichamen aangespoeld. Dit is de vierde keer dat dit is gebeurd. De vier Dukes en de Flaming Fists verzekeren ons dat er actie is ondernomen en dat dit snel vergeten zal zijn. Extra groepen Flaming Fists zijn ingezet om de havens te bewaken. Er is geen enkele reden om te verwachten dat dit een smet zal werpen op de feestvreugde van het midzomerfeest!”

Baldurs_gate_crest.png
Tijdens het passeren van Baldur’s poort wordt de groep gewezen op het wapen van de stad, een schip op kalme zee, tijdens mooi weer. Adan vertelt dat dit symboliseert dat het een stabiele, welvarende handelsstad is met een optimistische toekomst, maar door de inwoners wordt er nog wel gekscherend over gedaan, aangezien het vrijwel altijd grauw weer is.

Via de poort komen ze in de Upper City, en het verschil kan bijna niet groter zijn. De straten zijn hier schoon, ruim en kleurrijk. Het ruikt hier ook een stuk aangenamer! Adan vertelt dat de mensen in de Upper City te verdelen zijn in drie groepen, de patriars, hun bedienden en de wacht. ’s Nachts gaat normaal gesproken de poort dicht, voor de veiligheid van de patriars, de rijke families die al generaties lang in Baldur’s Gate wonen.
Ook de Upper City heeft zijn bezienswaardigheden, te weten de Wide, een open marktplaats waar werkelijk van alles te krijgen is, de High Hall waar de regering zit, en tevens dient als museum van Baldurian en de bibliotheken van Ochma. Even verder staan de High House of Wonders, de enorme workshop en tempel van Gond, niet bereikbaar voor het gewone volk, en de Hall of Wonders, tempel en museum van Gond met o.a. een metalen draak uit de haven en een planetarium. Deze zijn wel toegankelijk voor publiek, en zeker een aanrader volgens Adan.
Als laatst lopen we via Silvershield estate in de wijk Manorborn, de wijk waar de rijkste families van Baldur’s Gate wonen, naar de Drakenpoort, waar Adan zijn tour afsluit. Hij weet ons nog naar wat goede herbergen te wijzen, en raadt Fallon aan zeker de ‘Elfsong Tavern’ te bezoeken, en verdwijnt met goed gevulde zakken de menigte in. Terwijl de groep hem nog wat verblufd nakijkt, wordt Tatjane op de schouder getikt door een zwartharige krijgster met felblauwe ogen. Ze stelt zich voor als Imirin Landrenner en geeft Tatjane een brief, afkomstig van Ontharr Frume.
Imirin_Landrenner.jpg
Als eerste besluit de groep naar de ‘Sorcerous Sundries’ te gaan om Snirfimble te helpen een spreuk magische bescherming te bemachtigen. Achter de toonbank staat een roodharige gnoom die enthousiast opspringt bij het zien van de kleine Snirfimble. Hij stelt zichzelf voor als Gilligin en bij het horen van het verzoek van de kleine magiër trekt hij hem mee naar een klein achterkamertje. “Ik mag dat niet zomaar verkopen van mijn baas.” En hij gebaart naar de grote donkere man die hem scherp aankijkt vanuit de winkel. “Maarre… Ik kan hem je wel geven, als je wat voor een klant van ons wil doen. Discretie is van het grootste belang!” En na instemmen van Snirfimble vertelt hij dat de persoon die anoniem wil blijven, last heeft van een waterprobleem. Het water uit zijn fontijn is tot leven gekomen. Instructies over het bereiken van de plek worden uitgewisseld en als iedereen weer buiten het gebouw staat spreekt de groep af later die middag naar het probleem te kijken. Eerst even ontspannen en bijkomen van de reis in een herberg.
Fallon en Duffel besluiten het er goed van te nemen, en kiezen voor de luxe herberg ‘Helm&Cloak’ in de Upper City. Snirfimble, Tatjane en Kima hebben het echter niet zo op dat luxe gedoe, en besluiten te overnachten in de ‘Blade&Stars’, een comfortabele herberg in de Lower City.

Zoals afgesproken verzamelt de groep, na wat uurtjes om uit te rusten en zich voor te bereiden, weer om samen naar het adres te lopen. Daar aangekomen begint Snirfimble aan de uitgebreide reeks kloppen, roepen en stampen zoals afgesproken met Gilligan, en er verschijnt een bediende. “Discretie is van het grootste belang!” fluistert die nogmaals en wenkt hen binnen. Duffel heeft inmiddels een soort duikbril op zijn hoofd gezet, en is druk bezig zich tot zijn lendedoek uit te kleden. Ze worden naar een kamer geduwd die volledig onder water staat. Zodra iedereen binnen is wordt de deur weer paniekerig gesloten, en zodoende zit de groep opgesloten in de ondergelopen kamer.
Het lijkt een doodgewone gesprongen leiding, maar schijn bedriegt uiteraard. Het is niet voor niks dat de bediende achter een groot schild was gekropen toen hij de deur open deed. Voordat iemand iets door heeft komt er een tentakel uit het water die Tatjane grijpt en onder water sleurt. Het is niet heel diep, maar in een paniekreactie stuurt ze een shocking grasp op het wezen af, die als ware geleider de aanval doorstuurt naar de rest van de groep die allen met de voeten in het water staan inmiddels.

Water_Weird.jpgNa Tatjane wordt ook Snirfimble gegrepen en onder water gesleurd, maar met de aanvallen op het water van Kima, gecombineerd met de elektrische stoten van Tatjane en Duffel, weet de groep de water weird te verslaan, en de gnoom te redden. Vele handen maken licht werk, en binnen afzienbare tijd is de kelder weer droog en monster-vrij.
Gilligin is verrukt met de resultaten en wil de scroll net aan Snirfimble geven, als hij even nadenkt en dan zegt: “Ja, of heb je misschien interesse in deze mooie felgekleurde jas?” Snirfimble lijkt de optie oprecht te overwegen, maar na wat indringende blikken van zijn reisgenoten pakt hij toch de scroll maar aan.
En terwijl de rest besluit nog even naar de befaamde ‘Elfsong Tavern’ te gaan, trekt Snirfimble zich terug in zijn kamer om de scroll te bestuderen. Na wat discussie en overwegen gaan de vier reizigers gezamenlijk naar binnen te gaan, en aldaar vermaken ze zich wel prima met wat drank en gezelschap. Ze leren via de tabakshandelaar Roge, die in dezelfde herberg zit als Duffel en Fallon, Hansor kennen, de zoon van één van de patriarchs. Op een gegeven moment valt de complete herberg stil en Roge fluistert de groep toe: “Dit is waar deze herberg zo beroemd om is, dit is de Elfsong!” Het mooiste lied ooit geschreven zwelt aan uit alle kieren van de herberg, en een ieder die het hoort kan alleen maar stil zijn, luisteren en een traan laten om het verdriet van de vrouwelijk elfenstem. Niemand weet waarom ze deze herberg heeft uitgekozen om te spoken, maar haar verdriet om haar verloren liefde op zee is duidelijk.

Als het lied is afgelopen, en de stoere avonturiers hun tranen hebben weggeveegd, vangt het normale herberg gedruis weer aan, en tegen middernacht trekt het merendeel van de bezoekers naar buiten, naar de Wide, om het vuurwerk te gaan bewonderen.
Fallon haalt Snirfimble op en met zijn allen lopen ze naar de Wide om de enorme vuurwerkshow, gesponsord door Felogyr, te bewonderen. Maar hoewel de show fantastisch is, de kleuren prachtig, en de knallen enorm, ziet Duffel meer achter het vuurwerk, in de sterren. Hij kijkt nog wat beter, en heeft plotseling het idee dat hij alleen op de heuvel staat, dezelfde heuvel als waar hij op stond alleen in een tijd dat er nog geen stad stond. In de lucht beginnen de sterren te bewegen en ze vormen zich tot een oog, een oog wat Duffel geïnteresseerd aankijkt. En terwijl het oog kijkt, spat het uiteen in drie bollen, die allen een andere richting op schieten. Eén ervan lijkt recht op Duffel af te stormen, hij probeert weg te rennen maar de bol blijft hem achtervolgen. Net als de bol in lijkt te slaan schrikt Duffel op en ziet Fallon bezorgd naar zijn kameraad kijken. “Gaat alles wel goed?”
Verward kijkt de magiër om zich heen, hij staat weer op de Wide tussen zijn vrienden en het vuurwerk. “Ja hoor. Maar help me onthouden: staf, mantel, kristallen bol.” Want dat zijn de drie bollen die uiteengespat zijn beseft hij terwijl hij het zegt. Bijzonder lang geleden zijn die ter aarde gestort en hij is voorbestemd om die drie voorwerpen te vinden.
Nadat het vuurwerk is afgelopen keert de groep terug naar hun herbergen en vallen uitgeput van een lange dag reizen en nieuwe ervaringen opdoen in een diepe slaap.

1 Eleasis 1381
Een diepe slaap, voor alle reisgenoten behalve Kima. Ze valt, en valt en valt zo hard dat haar rode krullen plat tegen haar hoofd gedrukt worden. Als ze probeert haar ogen open te doen vullen deze zich met tranen van de wind. Badend in het zweet wordt ze wakker en het duurt even voor ze beseft waar ze is. Het is vroeg in de ochtend, veel te vroeg om op te staan, maar ze weet dat ze nu toch niet meer zal slapen. Ze besluit de havens in te lopen, om iets uit te zoeken wat in haar gedachte zit sinds ze hoorde dat ze naar de havenstad Baldur’s Gate zou gaan. Dat is uitzoeken of hier iets bekend is van de piratencrew van het schip ‘Kapitein’s Waard’, de groep onder leiding van kapitein Shayne die Kima als baby gevonden heeft en enkele jaren terug spoorloos is verdwenen.
De grijze havens van Baldur’s Gaten zijn continu in bedrijvigheid, maar in de vroege ochtend, als de vissersschepen uitvaren, extra. Desondanks zijn de reacties wat afwachtend en vaag. Ze wordt doorverwezen naar de ‘Lage Lantaren’, een oude driemaster die nu vast in de haven ligt en dienst doet als herberg, café en vergaderruimte voor de duistere zaken.

Low_Lantern.jpg

Lichtelijk schoorvoetend en behoorlijk zelfbewust stapt Kima die ochtend de Lage Lantaren in. Het duurt niet lang eer ze geflankt wordt door twee grote vieze mannen die zich hardop afvragen wat zo’n lief wijffie op zo’n ongure plek doet. Kima, klaar om als rat het hazenpad te kiezen, vraagt voorzichtig of één van de twee toevallig van het schip ‘Kapitein’s Waard’ of haar kapitein heeft gehoord, maar enige intelligente reactie blijft uit. Dan stapt er een vrouw naar voren, ze duwt de mannen opzij en legt een hand op Kima’s schouder. “Ik weet misschien wel wat, loop maar even mee.”
Ze leidt Kima mee naar het benedendek waar druk wordt gegokt. “Kijk, je bent op zoek naar iets. Ben je het met me eens dat je in sommige zoektochten ook wat geluk moet hebben?” zegt ze terwijl ze de kleine druïde op een stoel aan een tafel schuift. Aan de tafel zijn 4 anderen druk in de weer met dobbelstenen gooien. Het idee is als volgt, als Kima weet te winnen met Lyer’s dice kan de waardin Laraelra Thundreth haar wat informatie geven. Helaas is Kima niet zo bedreven in het dobbelspel, en al snel is ze al haar dobbelstenen kwijt. Dat is uiteraard het moment dat haar verteld wordt dat de inzet 100 goudstukken was, maar, wordt met een vette knipoog toegevoegd door één van de meest dikke en harige mannen, daar viel vast wel wat voor te regelen. Met een dodelijke blik knalt Kima de zak met goud op tafel en loopt met Laraelra mee. Ze vertelt dat ze nog wel bereid is de informatie te delen, maar tegen een prijs. Die prijs is 500 goudstukken of de 7 tranen van Tymora, edelstenen die op de ‘Woede van Nas’r’ verstopt zouden liggen. Kima gaat akkoord, en ze loopt terug naar de herberg waar ze, stinkend naar bier en rook, aan de ontbijttafel gaat zitten.

treasure-map.jpgDuffel was iets eerder wakker geworden van een vreemde droom. Er was een lichtje wat om zijn hoofd danste, maar toen hij zijn ogen open deed, was het lichtje er nog steeds. Het schoot echter onder zijn bed en verdween toen. Even later liep hij met Fallon van hun herberg naar de Blade&Stars voor het ontbijt, en onderweg hoorde Fallon een groepje avonturiers enthousiast praten over de ‘Woede van Nas’r’en hoe zij wel even dat schip gingen opruimen. Behendig en charismatisch als hij is, wist hij ze om de tuin te leiden met een zelfverzonnen kaart die ze door de zogenaamde levensgevaarlijke riffen naar de zogenaamde zandbank zou brengen waar ze het spookschip zouden aantreffen.

Dit verhaal vertelde hij in de groep en ze besloten haast te maken, er waren immers vast meerdere groepen op zoek naar roem en rijkdom. Niet veel later stonden ze in de haven bij de kapitein die ze naar het spookschip zou varen. Het zou een halve dag varen zijn, maar toen het schip in beeld kwam leek het wel avond. De lucht was schemerig, en de sfeer bedrukkend en onheilspellend. Toen ze op enkele tientallen meters afstand waren zagen ze plotseling drie gedaantes opdoemen en langzaam dichterbij komen. De kapitein schreeuwde en bibberde van angst, want de gedaantes waren duidelijk ondoden.
Terwijl de eerste vuurballen van Tatjane en Duffel door de lucht vlogen en Fallon de kapitein wat deed kalmeren, dook Kima het water in. In krokodillengedaante greep ze de derde ondode en begon de typerende dodenrol. De andere twee ondoden werden redelijk eenvoudig neergehaald, en nog een keer neergehaald toen er één wat hardnekkig bleek. En zo was de eerste zege voor de avonturiersgroep binnen, maar wie weet ze binnen nog te wachten staat….

crashed_ship.jpg

View
Sessie 8 Queen of the Dragonhoard
22 december

25 Flamerule 1381
Het feest om de overwinning op de gebroeders Golnoth was zoals verwacht uitbundig, maar hoewel Tatjane, Fallon, en Duffel met volle teugen van het feestgedruis genoten, kozen Max en Kima ervoor om zich af te zonderen en de rust op te zoeken. Die nacht, terwijl Fallon en Tatjane zich zelfvoldaan in hun bed lieten zakken, Duffel een willekeurige tafel had gekozen om onder neer te storten en Max al diep in slaap was, werd Kima geplaagd door onrustige dromen. Ze viel, en viel en bleef maar vallen, ze probeerde te kijken waar ze was, en of ze er iets aan kon doen, maar zodra ze haar ogen probeerde te openen vulden deze zich met tranen van de wind die snoeihard in haar gezicht blies. De betekenis van deze droom kon ze niet achterhalen, de tijd zou het leren, maar tot die tijd zag ze er behoorlijk afgepeigerd uit. Ook Duffel had wellicht iets teveel genoten van het enorme feest.

Desalniettemin besloot de groep zo spoedig mogelijk door te trekken richting Elturel. Ze hoorden nog wel dat er regelmatig aanvallen van bugberen in deze tijd van het jaar waren, maar de wacht van Scornubel was vaardig genoeg om deze tegen te houden. Toen Tatjane naar de tempel van Tempus ging om afscheid te nemen van Terminus, vertelde hij haar dat hij mee zou gaan naar Elturel omdat hij daar woonde en nog zaken had. Ook reizen er twee tempeliers van de order van de Stalen Tand mee, Wine en Tarder. De laatste voorbereidingen werden getroffen, er werd nog een overdekte kar geregeld en tegen het eind van de middag was de groep van acht klaar om te vertrekken.
Die avond vonden ze een plekje naast de rivier Chionthar om te overnachten. De tempeliers en Tatjane zouden de wacht houden, en niet voor niks. Midden in de nacht riep Tarder om hulp, het kamp lag onder aanval van 8 bugberen!

Bugbear.jpg

Met vereende krachten wisten de helden de bugberen uit te schakelen. Tussen hun bezittingen vonden ze nog een aanplakbiljet met Tatjane’s hoofd erop. Blijkbaar waren deze beren uit op het losgeld wat er nog op haar vangst stond, al dan niet aangestuurd vanuit Waterdeep. Toen de rust was wedergekeerd kon de groep verder slapen.

26 Flamerule 1381
’s Ochtends, wanneer iedereen weer min of meer is bijgekomen van het gevecht van die nacht, vertrekt de groep weer verder langs de Chionthar richting Elturel. Al snel komen ze een groep Hellriders tegen, de soldaten van Elturgard. Ze waarschuwen voor ondoden, en zijn dankbaar voor de informatie over de bugberen. De avond valt, maar met de waarschuwing van de Hellriders in het achterhoofd besluit de groep door te rijden naar Elturel. Later die avond zien ze de verlichte stad Elturel voor zich opdoemen. Als eerbetoon aan Lathander hangt er een bol boven de stad die continu het licht van de god over de inwoners verspreid.

elturel.jpg

Tegen 11 uur ’s avonds komt de groep aan in de stad, en besluit gelijk maar naar ‘Het Zwarte Gewei’ te gaan waar ze Leosin en Ontharr Frume zouden ontmoeten. Daar aangekomen blijkt Leosin er al te zijn, hij regelt slaapvertrekken voor iedereen en spreekt met ze af morgenmiddag verder te praten. Uitgeput stort de groep in de herberg in hun bedden neer en zakken in een diepe slaap.

27 Flamerule 1381
Er is nog een halve dag over voor de grote vergadering met Leosin en Ontharr, wie dat ook moge zijn. Terminus blijkt een man die wel van een gokje houdt, en hij stelt voor een paardenrace te houden. Enthousiast stemt iedereen in, en zodoende verschijnen Max, Tatjane, Duffel en Fallon aan de start waar Terminus 6 paarden heeft geregeld. Kima heeft echter besloten niet op een paard te rijden, maar zichzelf in een paard te veranderen met één van haar spreuken. Zodoende loopt er een kastanjekleurig paard met gele ogen zelfstandig naar de startlijn, en blijft er één paard wat vertwijfeld en ruiterloos achter. Het levert wat rare blikken op van de voorbijgangers, zo’n ruiterloos paard tussen de racepaarden, maar het lijkt te werken, want al snel neemt Kima de leiding. Halverwege blijkt echter haar zwaktepunt als iedereen een pijl die in de grond is gestoken moet oppakken als checkpunt. Dat is het moment dat Duffel haar koppositie evenaart. Een spannende eindstrijd volgt waarin het op karakter aankomt, de intimiderende opmerkingen van Duffel tegenover de wilskracht en het inzicht van Kima. En nipt weet Kima als eerste over de finish te galopperen, en zo de winst op te strijken.

De goklust van Terminus blijkt echter nog niet verzadigd, dus er volgt nog een bargevecht met Duffel in een dwergencafé, een dartwedstrijd die Tatjane weet te winnen, en een eetwedstrijd waar Duffel zijn kracht en maaginhoud weet te bewijzen.
Aan het eind van de middag verzamelen de avonturiers zich met Leosin weer in ‘Het Zwarte Gewei’. Terwijl de eerste bekers wijn ingeschonken worden stappen er twee figuren de herberg in, een kleine gnoom in een zeer kleurrijk gewaad met een lange snor, bril en pijp, en Terminus. Blijkbaar is Terminus ook Ontharr Frume, de priester van Lathander. Hij wilde eerst weten wat voor vlees hij in de kuip had voor hij dit bekend maakte.
De gnoom blijkt een drakenexpert, Snirfimble genaamd, die ons uithoort over de draken die we gezien hebben, zowel de grote als de kleintjes die in de eieren zaten. De grote draak die Greenest vrijwel compleet verwoest heeft is een volwassen blauwe draak, Lenniton, weet hij te vertellen.

Hiernaast vraagt Leosin de groep naar de karavaan onder leiding van Rezmir, die op weg is naar Baldur’s Gate. Deze is nog zo’n 10 dagen verwijderd van de stad, maar lijkt niet de intentie te hebben om tussenliggende steden aan te vallen. Er zijn meerdere karavanen op pad, maar de precieze locatie daarvan is niet bekend. Het is dus belangrijk om deze karavaan in de gaten te houden om erachter te komen waar hij naartoe gaat. Dat is belangrijker dan de karavaan stoppen.
Er is ook wat verontrustend nieuws, er is al een tijd niks van Erik gehoord, de spion uit Greenest die de karavaan volgde. Max besluit op zoek te gaan naar Erik, terwijl de rest door reist naar Baldur’s Gate. Snirfimble wil mee naar Baldur’s Gate, zijn kennis over draken zou de rest goed van pas kunnen komen. Leosin kan een boot regelen, de schuit ‘Schone Hart’ vaart morgen uit met de kapitein Acklyn Celebon. De groep kan meevaren, en pakt dus nog een goede nacht rust voor ze aan boord gaan.

28 Flamerule 1381
Vroeg in de ochtend lost de schuit zijn trossen en vertrekt richting Baldur’s Gate. Aan boord zijn de kapitein met zijn bemanning, de 5 avonturiers en een groep van 12 dwergen onder leiding van de bard Ughbard, die op weg zijn naar Phandelver. Er is daar pas een mijn herontdekt waar hard werkers nodig zijn.

30 Flamerule 1381
Na twee dagen varen komt de boot met opvarenden aan in Baldur’s Gate, precies op tijd voor het Midzomerfeest. Het is een echte handelsstad, de enige doorgang tussen de zee en het binnenland. Terwijl de groep rustig naar de buitenste ring van de stad wandelt, zien ze dat de stemming alles behalve feestelijk is. Op één van de akkers zijn een paar mannen druk bezig met het verbranden van een stapel mensenlijken. Kima en Fallon gaan gelijk kijken wat er aan de hand is, en spreken een van de mannen aan.
Hij weet te vertelllen dat deze lijken van zeelui zijn, maar zeelui die al een tijdje op de bodem van de zee hebben gelegen zo te zien. Ze zijn die nacht uit het water komen wandelen. De boeren uit de omgeving hebben de ondoden weten te verslaan, maar daarbij zijn helaas wel een paar boeren omgekomen. De stadswacht, de ‘ Flaming Fists’, is bekend met het probleem, maar doet er niks aan volgens de boeren. Tatjane gaat gelijk verhaal halen.
Blijkbaar hebben de boeren gelijk, de Flaming Fists weet nog niet genoeg van het probleem om er iets aan te doen, maar ze zijn hard op zoek naar mensen die meer weten of meer kunnen uitzoeken. Wat ze wel weten is dat de ondoden van het schip ‘Woede van Nas’r’ komen, zo’n halve dag varen uit de kust. Een boot en kapitein staan klaar om eventuele avonturiers op onderzoek uit te sturen, en uiteraard zijn onze helden meer dan bereid deze klus op zich te nemen!

View
sessie 7 Queen of the Dragonhoard
12 december

Uit het dagboek van Kima:

20 Flamerule 1381

Nog wat narillend stap ik de algemene ruimte van de herberg weer in en zie al snel de rest van de groep zitten. Schuddend met mijn hoofd stap ik op ze af. “Ik heb gedaan wat ik kon, maar de rest moet onze goede broeder nu gewoon op de natuurlijke manier verlaten. Dat zal wel een dag of wat duren. Blijkbaar zitten we dus nog even vast in Berdusk.”

De rest knikt instemmend en ze verschuiven nog wat ongemakkelijk in hun stoel. Het was geen prettig gezicht om die lieve man zichzelf zo te zien bevuilen. Zelfs voor mij niet, en ik heb wel ergere dingen gezien. Op dat moment vraagt Fallon de minstreel de aandacht en brengt ter sprake dat hij gehoord heeft dat een dorpje in de omgeving last heeft van wolven, en dat er ergens anders nog een oger voor problemen zorgt. Blij met de verandering van onderwerp zijn we het er vrij snel over eens dat die wolven wel interessant klinken. Ik moest gelijk denken aan de spreuk die ik ergens gelezen had, waarmee ik met dieren zou kunnen praten. Op muizen en eekhoorns werkt dat wel leuk, maar ik ben erg benieuwd of dat net zo goed werkt op grotere en slimmere dieren zoals wolven. Er zal ergens wel een groot misverstand zijn, wolven vallen niet zomaar mensen aan. Voor de zekerheid informeer ik toch even naar informatie over wolven bij Menharin, de eigenaar van ‘De Rennende Ree’, een oude druïde met een lange, dikke, witte baard waar af en toe een klein eekhoorntje zijn kopje uit steekt. Ook vraag ik hem een oogje op broeder Fulminictus te houden terwijl we weg zijn.

menharin.jpg

We besluiten gelijk maar op pad te gaan, eerst naar de man die meer weet van de problemen, Brimsor Thunderwood. Blijkbaar moeten we naar Hollensdorp, daar verdwijnen geregeld mensen en leeft iedereen in angst voor de wolven die ’s nachts over straat rennen. Het is ongeveer een uurtje lopen. De dag is nog jong, dus we lopen gelijk maar die kant op.
Tegen het eind van de ochtend komen we aan in Hollensdorp, waar werkelijk geen sterveling te zien is op straat. Fallon tovert zijn luit te voren en begint opgewekte deuntjes te blazen en als magie gaan er deuren voorzichtig open en verschijnt er een kleine bebaarde gnoom die ons stamelend en overduidelijk doodsbang te woord staat. Hij laat echter niet veel los, en vraagt ons vooral weer weg te gaan omdat ‘ze’ anders iedereen zouden vermoorden. Langzamerhand verschijnen er meer mensen en ik besluit eens bij een stel dorpelingen rond te vragen. Een man met een grote rode snor stond met een vrouw snikkend op zijn schouder een stukje verder. Hij vertelde met dat hij was uitgekozen om op straat te blijven. Blijkbaar had het dorpje een soort afspraak met de wolven, die volgens de beste man zo groot waren als pony’s, om één iemand op te offeren zodat de rest van het dorp gespaard blijft. De situatie werd steeds vreemder en vreemder.

We besloten op zoek te gaan naar de groep wolven voordat ze bij het dorpje kwamen, maar tevergeefs. In de omgeving van het dorpje waren zoveel heuvels, valleitjes, grotten en velden waar de groep zich met gemak verstopt zou kunnen hebben dat het zoeken was naar een speld in een hooiberg. Tegen het eind van de middag keerder we terug naar het dorpje, waar Duffel ineens één van zijn ingevingen volgde en met Max op zoek ging naar iets ondergronds. Ze vonden één of andere grot vertelden ze later, waar ontzettend veel paddestoelen groeiden, maar die niet geoogst werden. In een kooi lag het restant van een mens, gekke Albert, met een verroeste scabberd en een mooi glimmend zwaard die de aasgieren natuurlijk meegenomen hebben. Ik voorspel problemen, niets goeds is ooit voortgekomen van de doden verstoren, maar goed, dat merken ze dan verzelf wel.

werewolves.gif

Ondertussen was het zeker al het begin van de avond, en de dorpelingen begonnen onrustig te worden. Ramen en deuren werden gebarricadeerd, en het werd steeds stiller op straat. We hielden de wacht in het centrum van het piepkleine dorpje, een pleintje met een waterput in het midden. En zowaar, toen de avond inviel en de volle maan verscheen, steeg het eerste wolvengehuil uit het bos op. Even dachten we het verstandig zou zijn de groep wolven buiten het dorp te confronteren, maar toen een tweede gehuil uit een heel andere richting kwam renden we toch terug naar het plein, blijkbaar hadden ze het dorp al omsingeld.

Op het plein zagen we in de verte al schimmen door de straten vliegen, en deze wolven, hoewel geen pony’s, waren zeker groter dan de gemiddelde wolf. De leider was een grote zwarte wolf met een meedogenloze rij tanden en bloedlust in zijn ogen. Toen hij voor me stond probeerde ik met een spreuk hem te kalmeren en duidelijk te maken dat we hem geen kwaad wilden doen, maar hij schudde de spreuk van zich af alsof het een lastige vlieg was, en hij sprak tot me in een grommende mensenstem: “Gebruik je magie voor eekhoorntjes!” Op dat moment besefte ik dat het niet om een gewone wolf ging, maar één of andere helse halfwolf, en dat was ook het moment dat hij aanviel. Ik had net tijd om een magische pijl van zuur op zijn kop af te vuren, toen zijn kaken zich om mijn nek sloten. Voor ik neerging had ik nog vaag het idee dat iets duisters zich meester van mij probeerde te maken, maar ik had net genoeg kracht over om dat van we af te werpen voordat het zwart voor mijn ogen werd.

Toen ik bijkwam zag ik dat Tatjane de grote wolf had weten te verslaan, en de rest de andere wolven had ingemaakt. Blijkbaar waren ze erg gevoelig voor het glimmend zilveren zwaard wat Max en Duffel in de grot hadden gevonden. Tot mijn verbazing zag ik dat de diverse wolvenlijken langzaam aan het veranderen waren in mensen! Dit moeten dus weerwolven geweest zijn, een fenomeen waar ik wel ooit iets van gehoord heb, maar nooit geloofd heb. De dorpelingen waren bijzonder gelukkig met de overwinning, hoewel er nog wel om de diverse dode dorpeling-wolven werd gerouwd. We kregen een slaapplek voor de nacht zodat we konden uitrusten.

21 Flamerule 1381

De volgende ochtend werd ik door een lichtelijk verontruste Duffel van de ontbijttafel gehaald om in zijn kamer te kijken. Toen ik de deur binnenkwam zag ik dat de hele kamer werkelijk onder de paddestoelen zat. Er zat er zelfs één op Duffel’s voorhoofd! Bedremmeld vroeg Duffel of de paddestoelen niet misschien giftig waren, terwijl hij me een exemplaar overhandigde van een gewone geschubde inktzwam waar een hap uit was genomen. Ik stelde hem grinnikend gerust, maar bij nader onderzoek zag ik dat er tussen de diverse soorten zwammen ook een paar zwarte donderdozen stonden. Ik vertelde hem, terwijl ik de twee exemplaren in een aparte pouch stopte, dat hij voor deze paddestoelen moest oppassen, omdat het resultaat van deze paddestoelen nogal onvoorspelbaar was, het effect was óf heel goed, óf heel slecht.

mushrooms.jpg

Na het ontbijt vertrokken we weer richting Berdusk, waar we tegen het eind van de ochtend aankwamen. Het was wederom een stralend mooie dag, en aangezien broeder Fulminictus nog niet helemaal hersteld was besloten we nog een dagje te wachten. Iedereen ging zijn eigen weg, terwijl ik Menharin opzocht. Gisterochtend had hij aangegeven me te willen spreken zodra ik terug was. Toen hij me zag wenkte hij me mee. We liepen door een uitgebreid gangenstelsel onder de herberg, steeds verder en dieper liepen we van de herberg af, tot we bij een grote ronde deur kwamen. Voor de deur stond de elf Galor Ostranius, met zijn kenmerkende grijns. Hij liet ons binnen en toen ik zag waar ik was kon ik letterlijk geen zinnig woord uitbrengen. We stonden in een bos, compleet met bomen, planten, en een bonte verzameling dieren. En het was niet zomaar een bos, het was het heiligste stuk bos voor druïdes waar ik vanaf wist. Het was de Tuin van Ginsilor!

Menharin vertelde me dat ze hier alle soorten bomen en planten verzamelden, en ze vroegen aan mij om hun hierbij te helpen. Ze gaven me een leren buidel, wat ik in die buidel zou stoppen kon Galor uit zijn buidel halen. Alle zaden en vruchten van de bomen en planten die ik tegenkwam kon ik zo naar hun overbrengen. Alsof de eer om gevraagd te worden hieraan mee te werken nog niet genoeg was, zou ik ook nog een beloning krijgen als ik tien verschillende soorten zou doorgeven.

magicforest.jpg

Ik mocht nog even op mijn gemak in het stuk woud rondwandelen, om alles in me op te nemen, ik had alle tijd zei Menharin. Hoe waar dat was besefte ik toen ik naar buiten liep, het was alsof ik slechts enkele minuten binnen was geweest.

We liepen terug naar de algemene ruimte en nu ik toch zo in gesprek was vroeg ik hem gelijk naar de donderdozen, en of er misschien een manier was om erachter te komen of ze goed of schadelijk waren, maar de enige manier om daarachter te komen is om ze te proberen, zei Menharin. Voorzichtig nam ik een hapje, maar dat had ik dus beter niet kunnen doen. De hap was zo smerig, en het begon te krioelen in mijn mond, dat het uitspuugde, waarna het wegkroop en groeide en groeide tot er een volwaardig roestmonster voor mijn neus stond. Gelukkig kwamen op dat moment mijn reisgenoten één voor één binnen, anders had de schade een stuk groter geweest. Max wist een paar goedgemikte pijlen het beest neer te halen, terwijl Tatjane een poging deed met haar hamer, maar alleen de tafel raakte. Dat was achteraf misschien maar goed, want de pijlkoppen van Max’ pijlen waren volledig doorgeroest toen hij ze uit het monster haalde.

rust.jpg

Die avond vertelde de rest nog wat zij gedaan hadden. Blijkbaar had Duffel in een kroeg gezeten met een groep halflings, die hem opgezocht hadden om iets te weten te komen. Ze waren op zoek naar een spookschip met een juweel aan boord, de “Woede van Nas’r”. Duffel heeft via zijn kaarten wat belangrijke aanwijzingen kunnen geven en is daarvoor rijkelijk beloond.

Fallon en Tatjane waren met broeder Fulminictus naar de muziekwinkel “Dageraad van de Dag” geweest. Vol trots liet Fallon zijn nieuwe luit zien, en hij vertelde lyrisch over hun bezoek aan de winkel.

magic_shop-969296.jpg

Die avond slapen we voor het laatst in de “Rennende Ree”. Het is ongetwijfeld de beste herberg die ik ooit gezien heb en niet geëvenaard kan worden in schoonheid en rust. Ik zal het hier missen, niet zoveel als mijn eigen stukje moeras, maar meer dan menig andere plaats.

22 Flamerule 1381

Wederom is de kamer van Max en Duffel bedekt met paddestoelen. Ik snap niet dat ze dat zwaard niet weg doen. De last van het opruimen kan toch niet opwegen tegen de onbeperkte voorraad eetbare zwammen. Maar goed, zolang ze oppassen met de donderdozen en het mijn spullen niet aantast gaan ze hun gang maar.
Toen we net onderweg waren dacht ik vanuit mijn ooghoek Duffel een stukje zwarte paddestoel te zien eten. Ik zette me al schrap op een volgend roestmonster, maar blijkbaar had dit een ander effect. Het tempo van de kar versnelde wat en al spoedig naderde Scornubel.

23 Flamerule 1381

De volgende ochtend kwamen we aan in Scornubel, enkele uren eerder dan gepland. Het was verschrikkelijk druk in de stoffige handelsstad, het midzomerfeest is immers al over een week. De herbergen zaten stampvol, maar broeder Fulminictus bleek wederom een waardevolle vriend, en we kregen een slaapplek aangeboden in de tempel van Lathander.

Terwijl we het ons gemakkelijk maakte na een paar dagen reizen, liep Tatjane naar het stenen fort wat we net buiten de stad hadden zien staan. Dat was de tempel van Tempus, een god waar ze zich wat meer in wilde verdiepen. Wat er precies gebeurd is heeft ze nog niet verteld, maar de volgende ochtend kwam ze onder de blauwe plekken en wonden, maar met een grijns van oor tot oor en een flinke wijnwalm om haar heen aan de ontbijttafel zitten en ze vertelde ons dat we die middag met de gebroeders Golnoth zouden vechten in de ‘bloedput’ ter ere van de ‘bloedweek’. In deze staat zou ze nog geen deuk in een pakje boter slaan, laat staan in twee ogers, dus ik heb haar eerst naar bed gebracht waar ze tot in de namiddag haar roes uit heeft geslapen.

24 Flamerule 1381
Rond een uur of vier ’s middags zouden we verzamelen we bij de arena van het fort van Tempus, de zogeheten ‘bloedput’. Het hele idee van vechten als vorm van vermaak staat me niks aan, maar ik kan Tatjane ook niet alleen naar binnen laten gaan, impulsief als ze is heeft ze al beloftes gemaakt.

Na een verfrissend bad en een stevige maaltijd was ze weer min of meer ‘de oude’, en fit genoeg om ieder geval een goede kans te maken tegen die gevreesde ogerbroers.

ogres.jpg

In de arena bleek het gevecht goed georganiseerd te zijn. Onder aanmoediging van honderden uitzinnige stadbewoners en veel aanhangers van Tempus werden we de arena ingeleid. Niet veel later kwamen ook de twee enorme ogers binnen, met een handevol kobolds. Ik kan me niet herinneren dat Tatjane het over kobolds gehad heeft, maar ze leek niet verbaasd, dus het kwam voor haar (als enige van onze groep) niet als verrassing. Naast me hoorde ik Max verontwaardigd mompelen.

Ik koos mijn positie achter Tatjane, dit was haar gevecht, het halve publiek scandeerde haar naam, en zij ging voor eer en glorie (en Tempus?) twee ogers te lijf. Uiteraard zouden we haar bijstaan, genezen waar noodzakelijk, waarschijnlijk de kobolds voor ons rekening nemen, maar als we iets van haar duel met Langdedrosa Scionwrath geleerd hebben, is het dat Tatjane graag haar duels zelf afmaakt. Dus zodoende begon op het teken van de enigszins onpartijdige priester van Tempus het gevecht.

Fallon zong ons wat moed in, en de Golnoth-bende wat moed in de schoenen, terwijl Tatjane de eerste knieschijf verbrijzelde. Zoals ik dacht wisten Max, Duffel, Fallon en ik één voor één de kobolds uit te schakelen, terwijl Tatjane als een ware ballerina om de lompe ogers heen danste. Hier en daar ving ze een klap op, maar ze wist er meer te ontwijken, en minstens evenveel uit te delen. Op een gegeven moment werd ze vol geraakt door één van de broers, maar geluk of een toekijkende Tymora liet haar vlakbij mijn genezende handen landen, wat haar genoeg kracht gaf om het gevecht af te maken.
De tribune ontplofte figuurlijk toen de tweede oger door zijn knieën zakte, iedereen riep Tatjane’s naam, en de uitdrukking op haar gezicht doet me vermoeden dat we dit verhaal nog vele malen in vele verschillende herbergen en in oplopende variaties van episch-heid gaan horen…

View
Sessie 6 Queen of the Dragonhoard
04 december 2014

18 Flamerule

En zo gaan Kima, Max, Tatjane en Fallon in de vroege ochtend op pad. Broeder Fulminictus reist een gedeelte met de groep mee; veel veiliger dan alleen te reizen. Onderweg naar Elturel, om Leosin te spreken over de ontwikkelingen rondom de Dragoncult en het nest met de drakeneieren, kan eenieder zijn benen de rust gunnen na de inspannende gevechten en tochten van de laatste dagen; Broeder Fulminictus heeft voor iedereen een paard te leen. Alleen Fallon verkiest een plek naast Fulminictus op de bok boven een paard.

De aangename reis in de zomerzon door de glooiende heuvels wordt veraangemaand door liederen, muziek en een regelmatige versnapering. Max scout steeds weer even voor de groep uit om mogelijke gevaren vroegtijdig te spotten. Max rijdt dus steeds even vooruit, Broeder Fulminictus en Fallon rijden rustig en gestaag achter hem aan en Kima en Tatjane sluiten de rij. De laatste twee trekken sinds Keirds dood wat meer met elkaar op. Iets wat jonge mensen wel vaker doen wanneer ze voor het eerst iemand aan de dood verliezen; ze zoeken elkaars steun.glooiende_heuvel.jpg

In de middag is er een ontmoeting met een aantal ruiters met een oude bekende van Tatjane aan de leiding: Robdar; eropuit gestuurd door Tatjane’s vader om haar terug te brengen naar Waterdeep. De weigering van Tatjane om met deze ongure Robdar mee te gaan leidt tot een gespannen situatie. Handen worden op de gevesten gelegd, wat geduw door Tatjane’s edele ros, intimiderende woorden. Max zich richt op de ruiters van Robdars gevolg. Tatjane, gesteund door haar vriendin Kima, leert Robdar zelf een lesje in afwijzing. Fallon lijkt een daad van verraad te plegen; in gesprek met Robdar zegt hij toe zijn best te doen de stijfkoppige dochter van heer Helder te bewegen terug te gaan naar Baldurs Gate. 50 Goudstukken zijn voor wat loze beloften een mooie prijs; een prijs die Max zich met wat zakkenrollen toeeigent om deze vervolgens aan Tatjane, als cadeau van haar vader, te geven. Robdar en de ruiters vertrekken, net als de groep; ieder zijns weegs.

the_mercenary_by_khorghil-d59no5l.png

Tegen de avond wordt er halverwege Greenest en Berdusk in niet één maar in zelfs twee herbergen overnacht. Boeder Fulminictus trekt ruimhartig als hij is zijn grote ronde geldbuidel en bekostigd de overnachting in de luxe herberg “de Zakkende Zon”; alwaar een vloekende, ontevreden en hoogst ongelukkige dwergse waard de scepter zwaait.

Tatjane, Kima, Max en broeder Fulminictus prefereren de rust en de hoge kwaliteit van ‘de Zakkende Zon’ boven de gezellige, levendige herberg aan de andere kant van de brug ; op nog geen honderd meter ervandaan is namelijk gevestigd de ‘Glimmende Goud’ herberg. Twee ruziende broers hebben elk aan de andere kant van de brug over de Chiontar een herberg geopend; de ene luxe maar zonder hartelijkheid, de andere eenvoudig, bijna boers, maar met levendigheid. Fallon verkiest dan ook deze plek om te overnachten en verdient zijn overnachting met het vermaken van de aanwezige gasten met verhalen en liederen. Tijdens een wandeling in de late avond wordt Fallon door Tatjane en Kima geconfronteerd met zijn ‘verraad’ van eerder die middag. Tatjane pikt de uitleg van Fallon dat een loze belofte in ruil voor wat goudstukken goede handel is maar geeft te kennen Fallon absoluut niet te vertrouwen.

Chiontar_Bridge.jpg

Na een gezamenlijk ontbijt van de gehele groep in de ‘Zakkende Zon’ vertrekt het gezelschap weer richting Elturel. Het landschap ziet er steeds iets gecultiveerder uit, boerderijen liggen her en der verspreid, graan rijpt in de zon. In gedachten is de groep al in de volgende stad; Berdusk (waar Max zich dient te melden bij de Harpers) of in gedachten verzonken en mijmerend over de uitzonderlijke kwaliteit van hetgeen er aan dwergse producten te verkrijgen is in Dwergenvesting Easting in de Sunset Mountains, tijdens een zeldzame markt die aangekondigd wordt middels een reusachtig seinvuur.

easting.jpg

Bruut wordt het gezelschap echter uit hun overpeinzingen en mijmeringen gehaald door het geschreeuw van enkele boeren die uit het niets worden aangevallen door enorme insecten die vanonder de grond het boerenleven een stuk onaangenamer maken dan te verwachten was op een mooie zomerse dag als deze. Kima en Tatjane gaan de meleestrijd direct aan terwijl Fallon en Max hun pijlen laten zingen. Deze enorme insecten richten hun aandacht echter eerst op de vier boeren die met hen in gevecht zijn: een verzengende, naar sulfer en azijn ruikende nevel wordt over deze onfortuinlijke landarbeiders gesproeid…in verschrikkelijke pijnen laten zij hun leven.

Tatjane en Kima krijgen een andere traktatie: ze worden bij hun middel gegrepen en wild heen en weer door de lucht geslingerd. Elke seconde verlaat hun levensenergie en hun controle het lichaam. Tatjane beroept zich op haar net gevonden elektrische krachten en natuurlijk op Dol Dorn, Kima vind bijna haar weg naar het hiernamaals, Max en Fallon vuren de ene na de andere pijl af. Het is echter boer Bill die smijtend met stoeptegels een einde maakt aan de aanval van de Ankhegs, deze afschuwelijke monsters uit de diepte. Deze geharde landarbeider is niet snel onder de indruk van wat het leven of de dood hem voor zijn voeten smijt. Nadat Kima weggerukt is uit de klauwen van de dood en eenieder zijn wonden verzorgd zijn gaan we verder op weg naar Berdusk en we nemen afscheid van boer Bill.

ankheg.jpg

In Berdusk aangekomen genieten eenieder van wat de stad te bieden heeft. Tatjane, Kima en Broeder Fulminictus genieten van de herberg ‘Running Stag’, een oase van natuur midden in deze culturele hoofdstad. Fallon int de gage van zijn opdracht, zelfs al heeft hij gefaald in het terzijde staan van Leosin, en geeft dit ruimhartig uit aan de talloze minstrelen die overal in de stad zingen en hun instrumenten bespelen. Max echter heeft een geheel ander soort van genieten; het soort dat enerzijds een herinnering is, anderzijds een nachtmerrie waaruit ontwaken alleen een nog maar pijnlijker realiteit aanduidt. De tempel van Denir is in feite een zorgvuldig afgeschermde basis van de Harpers.

Aldaar heeft Max een ontmoeting met een vreemde gast die hij niet herken;: Duffle; deze herkent Max echter maar al te goed. Duffle helpt Max in gedachten terug naar ‘de Toren’, de toren waar Max bijna aan zijn einde kwam en waar hij zijn elfse schoonheid verloor toen zijn lichaam doorzeefd werd met magische glasachtige scherven die nog immer zijn uiterlijk tot een afzichtelijke vertoning maken. Max herinnert zich in de toren gevangen en opgesloten te zijn. De enige weg uit deze magische gevangenschap leidt via een juiste sleutel door een juiste deur…drie sleutels, drie deuren, drie boodschappen die vertellen hoe een intelligente geest hier kan ontsnappen. En vier geesten die deze intelligentie niet hadden en voor altijd in deze toren ronddwalen; twee willen Max helpen deze toren te verlaten, twee willen Max hier behouden. De verkeerde sleutel en de verkeerde deur leidden echter tot een enorme ontploffing en niet tot het gewenste resultaat van de vier geesten: Max ontsnapt aan de geestenwereld maar niet zonder kleerscheuren; zijn lichaam is doorzeefd met magische, glasachtige scherven en Duffle helpt Max om weer terug te komen bij de Harpers alwaar hij lijdt aan de gevolgen van zijn torenavontuur en aan amnesie…in ieder geval tot aan deze middag.

Berdusk.jpg

Wanneer de groep later elkaar treft in de ‘Running Stag’ wordt er verhaalt over de gebeurtenissen van deze dag, wordt er een gecodeerd bericht van Robin ontcijfert dat de dragoncultkaravaan slechts traag vordert richting de kust, deelt Fallon de lokale problemen die de omringende gehuchten hebben met wolven en een ogre en wordt er vooral veel bier gedronken. De nacht in deze oase van de natuur, waar het bier der bieren wordt gebrouwen uit een heldere bron midden in de herberg, brengt de reizigers de rust die ze nodig hadden. In de ochtend van de 20e Flamerule blijkt broeder Fulminictus zich niet lekker te voelen en besluit een paar dagen uit te zieken in Berdusk alvorens verder te reizen naar Scornubel (in dezelfde richting als Elturel). Bij het ontbijt in de herberg bespreekt het gezelschap hoe ze de tijd aangenaam en nuttig kunnen besteden nu ze een paar dagen op de broeder van de Morning Lord moeten wachten…

View
Sessie 5 Queen of the Dragonhoard
26 november 2014

16 Flamerule 1381
Het lichaam van de derde en laatste ambushdrake had nauwelijks de grond geraakt toen de groep zich verder spoedde. De jager was immers verdwenen een zijtunnel in, wie weet wat hij nog zou alarmeren. Max dook voorzichtig de tunnel in, maar zag tot zijn verbazing de jager gebogen over een stapeltje koboldlijken staan terwijl hij zijn dolk afveegde. De jager ziet de gekapte elf, en wenkt hem naderbij. Max trekt snel een conclusie, namelijk dat de jager besloten heeft zich bij het winnende team te voegen, en haalt de rest. Er wordt wat informatie uitgewisselt, maar veel weet de jager niet, normaal komt hij niet zover de grot in.

drakenhatchery.jpg

De kamer waar hij instaat blijkt het vertrek van de kobolds te zijn, er staan wat tafels en stoelen, en in een lager gelegen deel staan een rij bedden. Verder valt op dat door het vertrek verspreid heel veel kleine stapeltjes geldstukken op de grond. Het zijn er zeker een stuk of 80. Aan de andere kant van het vertrek leidt een gang verder naar een ruimte waar heel wat geluid uit komt, geluid van een gevecht. De groep sluipt dichterbij, daarbij de valstrik op de derde traptrede van boven ontwijkend, en ziet dat in een grote, hoge ruimte op een soort eiland Langdedrosa Scyonwrath aan het vechten is met een barbaar, terwijl er nog een handjevol barbaren omheen staan.
Tatjane voelt een steek van ongeduld om te bewijzen hoeveel ze is gegroeid de afgelopen dagen, maar ze weet dat na de laatste twee gevechten echt eerst moet rusten. De groep besluit een half uurtje in de koboldkamer te rusten, met een waakzaam oog op de gang gericht.

copper.jpg

De jager vertelt dat hij een geneesdrankje heeft, maar in ruil hiervoor wil hij iets van Tatjane wat ze niet bereid is te geven, waarop het flesje “per ongeluk” uit zijn handen glipt. Wanhopig probeert Tatjane nog wat van vocht van de grond op te sabbelen, al haar eer te grabbel gooiend, met niet al teveel effect.

kev.jpg

Na een korte periode van rust voelt iedereen zich min of meer in staat de barbaren en Langdedrosa Scyonwrath aan te kunnen, en duiken de grote ruimte in. Zodra Langedrosa Tatjane ziet, gebaart hij naar haar “Zij is voor mij, de rest mogen jullie afmaken!” roept hij naar zijn clubje barbaren. Tegen Tatjane zegt hij “Je bent terug gekomen, dat waardeer ik. Maar dit keer gaan we tot het eind!”

En terwijl Tatjane over de brug naar Langedrosa loopt, stormen de vier barbaren langs haar de brug over om andere vier een kopje kleiner te maken. Robin weet er gelijk één van de brug naar beneden te stoten, maar wie de bal kaatst kan hem verwachten, en niet veel later ligt hij zo’n 4 meter lager op de rotsen naast zijn slachtoffer. Tatjane weet inmiddels vakkundig enkele slagen van Langdedrosa te ontwijken, tot zowel frustratie als bewondering van haar tegenstander.

latest.png

Ook de jager is inmiddels van de brug gegooid, en drie barbaren duiken op Max en Kima. De eerste weet zich handig op de rug van zijn tegenstander te werken, en Kima weet met haar zweep een barbaar neer te halen. Ondertussen heeft Tatjane een paar leuke klappen weten uit te delen waardoor Langdedrosa zijn bliksemadem over haar heen spuwt. Haar innerlijke magie en lichamelijke lenigheid weten haar deels te redden, maar nog maar net.

Ondertussen is Robin weer enigszins op de been gebracht en omhoog gewerkt door de jager, waardoor hij met hernieuwde krachten de aanval op de barbaren kan hervatten. Max heeft zijn aanvaller met veel dolksteken neer weten te halen, en de jager schiet van onder de brug met zijn pijl en boog op de nog staande barbaren, voor hij naar boven klimt.
Op dat moment laat een lichtelijk paniekerende Langdedrosa voor de tweede keer zijn bliksemadem over Tatjane gaan, die er dit keer minder fortuinlijk vanaf komt, en neergaat. Triomfantelijk draait hij zich om, en ziet zo net de pijl aankomen die zijn gezicht doorboort en hem het leven ontneemt. Een laatste blik van verontwaardiging richt zich op Max, die met een lege boog hem recht aankijkt.

Met het gevaar geweken besloot de groep even uit te hijgen op het eilandje, en de boel wat nader te onderzoeken. Op het eiland stond een groot goud beeld van een vijfkoppige draak, Tiamat. Onderaan het beeld stond een grote gesloten schatkist. Tatjane, inmiddels opgelapt door Kima, en ietwat pissig dat ze niet van Langdedrosa had kunnen winnen en dat haar nieuw gevonden magische krachten het af hadden laten weten, besloot impulsief als ze is de schatkist te openen.

122728_CN_GL.jpg

Dit had een dramatisch effect, namelijk dat uit kleine openingen in de grond, en uit één van de drakenkoppen van het beeld, wolken giftig gas vrij kwamen. Met veel moeite weet de groep uit de kamer te komen, Kima sleept Tatjane mee. Heelhuids komen ze in de koboldkamer aan, waar blijkt dat hoewel Tatjane heelhuids is gebleven, haar harnas bijna van haar lichaam af valt, dit tot groot genoegen van de jager.

Zodra de gifwolk weer is opgetrokken worden de andere ruimtes verkend. Rechts van de grote hal vinden ze een gevangen genomen halfelf, Fallon, een vriend van Leosin. Hij weet te vertellen dat de groep onder leiding van Rezmir zo plotseling is vertrokken omdat ze niet wist wat Leosin kon vertellen over het kamp.

elf_bard_0.jpg

Links van de grote hal komen ze in een duistere ruimte met een groot hek ervoor waar een Roper de wacht houdt over drie drakeneieren. Met haar natuurlijke diplomatie weet Tatjane ervoor te zorgen dat het monster de drakenbaby’s verschalkt, zonder de helden verder aan te vallen, zo redt ze het leven van Max die al tot zijn middel in de muil van het beest verdwenen was.

Zodra de draken opgeruimd waren, het hok van de Roper weer dicht en op slot zat en iedereen weer veilig buiten zat, begonnen ze langzaamaan met de voorbereidingen voor de uitvaard van Keird.

rop.jpg

Laat in de avond, als de maan op zijn hoogst aan de hemel staat, ontsteekt Kima het vuur onder in de wachttoren waar Keird ligt opgebaard. Iedereen spreekt nog wat mooie woorden, en stuurt een persoonlijk bezit met hem mee naar het hiernamaals. Tatjane geeft haar harnas mee, als bescherming. Max trekt een stukje glas uit zijn gezicht, als magisch artefact. Robin gooit zijn dobbelstenen op het vuur, ten teken van het lot wat de ene of de andere kant op kan rollen. Tot slot haalt Kima haar altijd bloeiende roos uit haar haar, en legt die bij Keird neer, als aandenken aan de natuur, de magie en haar vriendschap. Fallon blijkt een bard te zijn, en weet de sfeer goed te pakken in een mooi gedicht waarin hij niet het leven van Keird beschrijft, maar het verdriet van zijn vrienden.

bonfire_1.jpg

17 Flamerule 1381
Terug in Greenest blijkt er nog niet veel veranderd. Iedereen gaat zijn eigen weg, en ’s avonds ontmoeten de helden elkaar weer tijdens het avondeten. Robin is wederom bij zijn familie langs geweest en de situatie is nijpend. Boris is op Robin’s verzoek bij de stadswacht gegaan, maar daardoor is de sterkste kracht van de boerderij weg. Daarnaast heeft Govenor Nighthill aangegeven een gebrek aan ervaren stadswachten te hebben om de nieuwelingen op te leiden. Zodoende wordt het besluit genomen dat Robin in Greenest blijft, en de groep zonder hem naar Elturel zal reizen om Leosin te ontmoeten. Aangeschoven bij de maaltijd is ook broeder Fulminictus, een dikbuikige olijke priester van Lathander die geholpen heeft met het verzorgen van de gewonden tijdens en na de strijd in Greenest. Hij heeft in Amn kunstwerken gekocht voor de tempel in Scornubel, en besluit met Tatjane, Kima, Max en Fallon mee te reizen tot Elturel.

Fulminictus.jpg

18 Flamerule 1381
Bij zonsopgang worden de vier helden opgewacht door broeder Fulminictus, die een mooi gebed uitspreekt, en Tatjane’s ring van Dol Dorn zegent in de hoop dat ze zo haar magie kan controleren. Met de kar en paarden van broeder Fulminictus staat de groep klaar om te vertrekken als castellaan Escobar nog op Kima komt aflopen. Hij vraagt haar nogmaals in Greenest te blijven, waar het veilig is, maar Kima is vastbesloten dit avontuur tot een goed eind te zien. Wat bedremmeld en onhandig prutst Escobar wat aan zijn enorme sleutelbos en stopt haar dan een kleine, oude sleutel toe. “Als je terug komt, zeg ik je waar deze sleutel voor is, het is de eerste sleutel die ik kreeg.” Kima bergt de sleutel goed op, geeft Escobar een knuffel en verzekert hem dat ze terug zal komen. En met die woorden vertrekt de groep richting het noorden, naar Elturel.

View
Sessie 4 Queen of the Dragonhoard
23 november 2014

23 november, sessie 4 Queen of the Dragonhoard

Aanwezig: Mike (DM), Han (Robin), Henry (Pa Stanford, Keird, jager), Jeroen (Erik, Max), Veronique (Wendy, Mabel, Dipper, Tatjane), Frances (Ma Susan, Kima).

15 Flamerule 1381
Geen tijd om uit te rusten, het dorp is nog steeds zoekende naar hulp en daadkracht. Hoogste tijd dus om gelijk een rondje langs de boerderijen in de omgeving te maken. Robin verzamelde zijn vrienden Erik en Tim, die al jaren naast hem in de stadswacht dienen, en reed erop uit. Bij zijn eigen huis gekomen, zag hij al snel de rookpluimen opstijgen, en de groep reed snel verder. Hopelijk waren zijn ouders, zijn jongere broers Boris en Stanford jr, zijn zusjes Suus en Wendy, en de tweeling Dipper&Mabel in orde.

victormeldrew0410_468x493.jpg

Aangekomen zag Robin zijn vader en Boris, beiden in verband, over het erf aanlopen. Stanford sr gaf zijn zoon gelijk de volle laag, waar hij wel niet gezeten had, en wat voor een zoon hij was, dat de stier ontsnapt was etc etc. Blijkbaar was de boerderij die nacht aangevallen door een stelletje kobolds en wat dronkelappen, onder leiding van “een grote, enge lelijkerd met een wolvekop op z’n hoofd”. Zijn moeder vloog hem gelijk om de hals. Ze was zo bezorgd geweest, en nu was de jongste van de tweeling, Dipper, ook nog verdwenen. Wendy was in alle staten, ze had overal al gezocht, behalve bij het bos, daar waren die engerds verdwenen, dus daar durfde ze niet heen.
Stanford jr wist nog te vertellen dat hij die bandieten eerder in de kroeg van Bolle Boris, De Lekke Uier’, had gezien. Ze kwamen uit Amn zeiden ze.

Uiteindelijk vonden ze Dipper, na een idee van Mabel, in zijn boomhut bij het vennetje. Hij had zich daar verstopt voor de kobolds en de bandieten.

Robin wist na deze familiereünie meteen weer waarom hij bij de stadswacht gegaan was, en met een rugzak vol voedsel verdween hij weer met zijn maten. Aan het eind van zijn ronde kwamen ze bij de dichtgetimmerde boerderij van Ouwe Farnham. Toen ze aanklopten werd er voorzichtig open gedaan, en de opluchting was op het gezicht van de oude ezelboer te lezen, en hij vertelde dat een enorme stoet woestelingen een stuk achter zijn boerderij trok. Het leek erop dat de gehele inhoud van het kampement waar de helden zojuist vandaan kwamen, naar het westen trok.

Met deze informatie toog Robin weer naar Greenest en Gouveneur Nighthill. Aldaar bleek Leosin eindelijk wakker. De rest van de groep zat al gespannen naast zijn bed. Na de elfse vriendelijk begroeting met Max vertelde Leosin dat hij bezig was informatie te verzamelen over de Cult van de Draak, zodoende deed hij zich voor als cultist, maar hij werd al snel gesnapt. De cult was voor zover hij wist niet bekend en bezig met Tiamat, maar vooral bezig met het herleven van dracoliches. Waarom verzamelden ze nu waardevolle schatten? De grot bij het kampterrein bleek de ‘broedkamer’ genoemd te worden. Wat zouden ze daar in verstoppen? Ze bedachten het plan dat Leosin zo spoedig mogelijk naar Elturel zou reizen, daar had hij een contactpersoon, Ontharr Frume, een paladijn van Torm en leider van de Order of the Gauntlet. De groep zou de ‘broedkamer’ bij het inmiddels verlaten kampement verkennen en dan doorreizen naar Elturel om verslag uit te brengen. Ondertussen zou Erik het leger op gepaste afstand volgen en proberen hun reis en bestemming door te geven.

130leosin.jpg

16 Flamerule 1381
De volgende dag was iedereen klaar om te vertrekken, Leosin naar Elturel, Erik het leger achterna, en Max, Tatjane, Keird, Kima en Robin richting oost naar het kampement. Enkele uren later komen de vijf aan bij een volledig verlaten kampterrein. Volledig verlaten, op één grote tent bij de ingang na. Uit de tent loopt op dat moment een grote man, in leer gekleed, en hij legt iets op een tafel. Tatjane besluit haar vrouwelijk charmes in de strijd te gooien, en onschuldig erop af te lopen. Ze wordt vergezeld door een mysterieuze ezel met goudgele ogen. Bij de tent aangekomen ziet ze dat het hier om een clubje jagers gaat, en sociaal onhandige, verlegen jagers daarbij. Met een knipoog en gespeelde onschuld weet ze twee zelfgemaakte kettingen, enige informatie en vrije doorgang voor haar en haar vrienden vrij te spelen.

huntsmen_by_lillithi-d52un2o.jpg

Op de kampplek zien ze dat alle tenten weg of verbrand zijn. Zelfs de tent van Rezmir is weg. Er staat alleen nog een stuk boomstronk, maar Keird ziet meteen dat deze nep is, en inderdaad, als hij deze wegduwd vindt hij een verstopplek met wat goud en een dolk. De dolk geeft hij aan Max, omdat het waarschijnlijk magisch is.

Ondertussen zijn Tatjane en de ezel voorzichtig de grot aan het verkennen, maar ze ontdekken direct dat deze niet onbewaakt is achtergelaten. Drie dragonclaws bespringen het duo, en terwijl Tatjane zich kranig weert, roept Kima direct om hulp. Met de hulp van de anderen weten ze twee van de drie te verslaan, maar helaas weet de derde te ontkomen. Het duurt niet lang eer ze horen dat hij versterking heeft gehaald, en veel versterking! Ze krabbelen rap de grot uit, en bedenken in rap tempo een plan om in ieder geval niet omsingeld te worden.

118cultist.jpg

Zodra de aanvallers de grot uitstormen, merken ze dat er uit de grond ineens wortels en planten groeien die grijpen naar elk paar voeten wat langskomt. Verschillende cultisten en dragonclaws komen vast te zitten. Er zijn er echter meer die er relatief eenvoudig over of langs stappen en de vijf helden beginnen aan te vallen.

Een enorm gevecht breekt uit, en alle kansen lijken verkeken voor de avonturiers, zeker wanneer Frulam Mondath zelf uit de grot stapt en haar magie loslaat op de groep. Rond haar heen verschijnen drie zwarte draakgeesten die eenieder die te dichtbij komt doet verstijven van angst. Haar aandacht gaat direct uit naar Kima, die haar nog net kan verzwakken met een zure pijl. Het merendeel van de ‘gewone’ aanvallers richt zich op Robin en Keird, en wanneer deze laatste neergaat, verschuiven ze hun aandacht naar Kima. Door een verkeerde beslissing gaat zij echter ook neer voordat ze Keird kan genezen waardoor de groep ineens zonder genezers staat.

Tatjane is heftig in gevecht met een handjevol cultisten, Max schiet vanuit de schaduw te hulp, terwijl Robin met een bizar en wonderbaarlijk gevoel voor ritme 8 cultisten, dragonclaws en Frulam zelf weet te ontwijken. Op het moment dat Tatjane ziet dat Frulam neer is, maar Kima en Keird ook, schrikt ze haar tegenstanders af en loop koelbloedig naar Kima om haar een geneesdrankje te geven.

Een wit helder licht, dat is wat ze ziet. Mooi licht, dat wel, en daar is Keird! Samen bewegen ze naar het witte licht toe, maar terwijl Keird vol zelfvertrouwen naar het licht zweeft, kijkt Kima nog heel even over haar schouder. Daar staat Tatjane, met een uitgestoken hand. Kima voelt hoe ze terug getrokken wordt, en verschrikt roept ze Keird’s naam. Hij kijkt om, reikt uit, maar kan niet volgen. Hun handen missen elkaar en Kima landt met een klap in de realiteit tussen het geweld.

1412641274565_wps_53_A_hand_reaching_towards_g.jpg

Kruipend weet Kima haar beste vriend te bereiken, hij is nog enigszins bij bewustzijn, maar niet meer te redden, wat ze ook probeert. Hij weet nog net wat zinnen uit brengen: “Kima! Ik heb het gedaan. Het is mijn schuld.” Voor hij zijn laatste adem uitblaast.
Met betraande ogen kijkt Kima op, maar niemand lijkt zich bewust te zijn van wat er hier zojuist gebeurd is. Verdriet maakt snel plaats voor woede en met duister wolkje in haar anders zo vredige hoofd, en bliksemschichten achter haar goudgele ogen loopt ze doelbewust op de eerste de beste onwetende af, zweep in haar hand, en uit op wraak. Het slachtoffer is een dragonclaw die nog met Tatjane in gevecht staat. Een zweep met doornen slaat om zijn nek en laat hem van dichtbij kennis maken met de grond. Daarna volgt één van de cultisten die nog steeds probeert Robin te raken. De laatste staande aanvaller probeert nog te ontkomen, maar moet zwichten voor een pijl van Max.

Onder druk van Tatjane weet Kima haar zweep net niet zo strak aan te trekken dat de cultist helemaal geen lucht meer krijgt, maar nog wel net kan antwoorden op de vragen. Hij overleeft de ondervraging echter niet erg lang. De groep komt even bij van het gevecht, wonden worden genezen, en Keird verzorgd. Ze besluiten ’s avonds, onder toeziend oog van Selune, een afscheidsceremonie te houden, maar eerst de grot verder te verkennen voor de jagers dat doen.

6100794-Supljara_cave_entrance_Plitvicka_Jezera_National_Park.jpg

De gang splitst zich al snel af, en precies zoals de cultist had gezegd, waren rechts de vertrekken van bewakers waar niet veel meer te vinden was. Ook de luxere kamer van Frulam Mondath was daar, en daar vond de groep wat aantekeningen over het plan van actie, wat aanwijzingen van Rezmir (“Everything must be freighted north to Naerytar. Rezmir allowed us to keep some pearls, a ring and a handful of small stones.”) en een kwetterende papegaai, waarschijnlijk Tiamat genaamd.

Aan de andere kant van de splitsing zouden veel valstrikken zitten, dus de groep van vier besloot extra voorzichtig te zijn. En terecht, want de trap naar beneden leidde direct naar een groep paddestoelen, waarvan Kima er vier als agressief herkende. Deze werden direct uitgeschakeld. Even verder was een grote hoge ruimte waarvan het hele plafond bedekt was met vleermuizen. Hier viel gemakkelijk onderlangs te sneaken, en dat lukte ook relatief eenvoudig.

Hier splitste de hal zich echter op. De ruimte eindigde in een soort afgrond naar een andere ruimte, maar zowel links als rechts was een tunnel waar ze ongezien in konden verdwijnen. Max sloop stiekem een stuk de gangen in en ontdekte dat de tunnel rechts aanzienlijk kouder was en uitliep op een slachthuis. De tunnel links leidde naar een bredere, warmere, ruimte waar een stuk of vijf kobolds zaten.

De slachtkamer bood niet veel informatie, maar toen de groep de ruimte overstak zagen ze echter een figuur uit de andere tunnel komen. Een poging tot verstoppen mislukte jammerlijk, en de jager dook gelijk terug om alarm te slaan bij de kobolds. Deze kwamen snel de tunnel uitgerend, speren in de aanslag, maar vielen even hard ter aarde. De vijfde kobold had echter de kooi van drie ambushdrakes open gemaakt, en de jager had in een andere ruimte meer kobolds gevonden om te alarmeren.

1626967-mm35_pg161b.jpg

Terwijl Tatjane voor Kima dook om haar te beschermen, en tegelijkertijd vol gebeten werd door een drake, gebeurde er iets vreemds. Ze zette haar hand tegen de drake, en plotseling vloog er een elektrische schok via haar hand naar de drake. Later vertelde ze dat het leek alsof er in haar hoofd een muur doorbroken was door het heengaan van één van haar kameraden. Alles wat ze thuis geleerd was leek de muur in stand te houden, maar de emoties van het echte leven hadden de muur doen breken en de magische energie erachter losgelaten.

ambush_drake.png

Met gezamenlijke krachten konden ze de drakes neerhalen, wat ervoor zorgde dat de paar overgebleven kobolds het op een lopen zetten. Zodoende mislukte ook deze stiekeme verkenning van de grot.

View
sessie 3 Queen of the Dragonhoard
8 november

14 Flamerule 1381

Uit het dagboek van Tatjane Helder:

Ik zit op een roze wolk!! Het leek even tegen te zitten, wat betreft het tegen mijn vader ingaan, weglopen en avonturen beleven, maar dat is helemaal veranderd! Na mijn duel met Langdedrose Cyanwrath ben ik beroemd in Greenest. Ik heb heerlijk geslapen, uitgebreid gebadderd en ik voelde me weer helemaal fit toen we met de groep (Max, Keird en Kima) in de keep bij elkaar kwamen. Burgemeester Nighthill was daar in bespreking met die roodharige dwerg Escobar, en het klonk zeer serieus. Er is een hoop kapot gemaakt en gestolen en de helft van de dorpelingen werd nog vermist. Max wilde gelijk achter het leger aan, ook omdat hij Leosin herkent heeft in één van de cultisten. Hij had een brief van hem gehad, dus hij wilde hem koste wat kost spreken. Uiteraard ben ik met hem meegegaan en de rest volgden ons ook. De burgemeester wilde ook graag dat Robin mee zou gaan, het hoofd van de stadswacht die bij het gevecht bij de poort aardig wat slachtoffers heeft gemaakt. Niemand had daar iets op tegen, dus zodoende telde de groep nu vijf.

1edited.jpg

We kregen nog wat eten mee voor onderweg, en binnen een half uur waren we klaar om te vertrekken. Onderweg zagen we zoveel vernieling en rotzooi liggen dat het niet heel moeilijk was om het spoor van de legers te volgen. Even buiten Greenest zagen we de restanten van een afgebrande boerderij en daar vonden we nog een klein meisje in leven. Uiteraard heb ik haar terug naar Greenest gebracht en duidelijk gemaakt dat er een goed pleeggezin voor haar gezocht moet worden.

Toen we weer uit Greenest vertrokken was het inmiddels rond half 2 ’s middags. Het spoor liep nog steeds richting het oosten, en het landschap veranderde geleidelijk van gras en bos naar stenen en hoge plateau’s. Plotseling hield Keird ons staande. Hij maakte een paar moeilijke gebaren en we begrepen hieruit dat hij iets had gezien en dat hij verder ging kijken wie of wat dat was. Max ging uiteraard met hem mee, die is zo sneaky dat ik me soms afvraag of hij nog meeloopt met de groep.

Een paar tellen later kwamen ze terug gehold, op de hielen gevolgd door acht kobolds en een handjevol cultisten, lekker stiekem, maar niet heus! Gelukkig stonden we er helemaal klaar voor en de kobolds krompen als lege blikjes ineen onder mijn vertrouwde hamer! Ik heb Robin nog moeten helpen, die had het wat moeilijk met twee kobolds om zich heen, waarvan er één in de modder lag, maar ik ben de rotste niet, dus ik heb hem niet uitgelachen.

De rest heeft vast ook wel wat gedaan en toen er geen kobolds meer stonden zag ik Max in het gras liggen, hij had een grote ijzeren ring gevonden die vast zat aan een groot, rond stenen luik. Zomaar onder het gras! Niemand kon er iets van maken, maar ik ontdekte dat je de ring kon draaien als je hem plat legde, er lichtten toen rare tekens op in het luik, maar die snapte niemand. Dus hebben we het luik weer verstopt met gras en bladeren en zijn we doorgereisd de legers kobolds achterna. Bij het kampvuurtje vond ik in de spullen van één van de cultisten nog een soort gebedsboek van Tiamat, maar wat daar allemaal in stond druisde zo tegen mijn opvattingen in dat ik het wel moest verbranden. Misschien niet helemaal handig, maar ik heb er zeker geen spijt van! Verder vonden we niks bijzonders, dus liepen we snel weer door.

plains__mps_lands__by_adampaquette-d6i1iuo.jpg

Weer even later, we liepen inmiddels in een soort kloof met aan weerszijden een redelijk steile wand, werden we ineens bedolven onder een lading stenen, en toen we die zo goed en zo kwaad als het kon ontweken hadden, werden we beschoten! We waren zo in een hinderlaag gelopen! Totaal stonden er zo’n 9 vijanden, waarvan ik natuurlijk gelijk op de grote kale baas ervan afdook. De wand was redelijk beklimbaar, zeker voor iemand met mijn bouw. Voor die cultisten het goed en wel wisten had ik de baas uitgeschakeld met een dodelijke klap van mijn hamer. Ik had nu wel een cultist met getrokken zwaard tegenover me, en één met pijl en boog ietsje verder. Alsof dat niet genoeg was begonnen ook de cultisten aan de overkant op me te schieten. Gelukkig wist ik een hoop te ontwijken, maar dat nam niet weg dat toen ik nog één cultist had neergehamerd, ik net een slag teveel te pakken kreeg. Ik zag het somber in toen het zwart voor mijn ogen werd en ik neerzakte.

Toen ik bijkwam hadden we toch het gevecht weten te winnen, zelfs de acolyte hadden ze nog te pakken gekregen toen hij al het hazenpad had gekozen. Blijkbaar leert Kima rap met haar sling om te gaan. Dat is meer dan ik van Keird kan zeggen, hoewel ik dankbaar ben dat hij me heeft genezen, zag ik toch echt één van zijn pijlen uit de schouder van Robin steken. Niemand besteedde daar verder aandacht aan, dus het zal wel een reden gehad hebben, maar het viel me toch op.

50625__468x_martial-buddhist-monk.jpg

Een stuk verder langs de route zagen we een hoop kampvuren bij elkaar, blijkbaar hadden we ons eindpunt bereikt: het Raider Camp. Hier hadden zich alle kobold-legers, cultisten en Tiamat-aanhangers uit de wijde omtrek verzameld. Eén ding was duidelijk, we hadden een goed plan nodig, hier zouden we niet zomaar naar binnen kunnen wandelen…

Maar dat deden we dus wel. En met ‘we’ bedoel ik dan Max, Robin en ik. Keird en Kima zouden rond het kamp trekken, voor het geval het mis zou gaan ofzo, stelletje pessimisten.
We hadden nog wel even een paar gewaden van die gasten bij de kloof gehaald en aangedaan, zeker voor Robin met zijn stadswacht uniform en om mijn mooi geborduurde kleding wat te verbergen. Ik had ook dat masker van die drakengast voor gedaan. Max zag er al duister genoeg van zichzelf uit, zelfs die gasten daar waren geïntimideerd door zijn uiterlijk.

En daar gingen we dan, tussen alle groepen kobolds en cultisten door, het hol van de figuurlijke leeuw in. We hadden al snel door dat het zaak was te doen alsof je daar hoorde te lopen en een ieder die voor je voeten liep een enorme mep te verkopen. Zo kwamen we bij een wat rustiger plekje waar Max en Robin de tent opzetten onder mijn ‘bevel’. Daarvandaan konden we op onderzoek uit. We kwamen erachter dat het echt een ongeorganiseerde bende was, behalve bij de tent van Rezmir, de leider van het hele zooitje, daar stond een groep bewakers.

Ook kwamen we Leosin rap tegen, in het schandblok! Er stond een bewaker naast hem, maar hij liet ons er niet bij, orders van Rezmir. Terug bij ons kamp bleken we buren te hebben, huurlingen van de ‘ bebloede vuist’, zoals ze zichzelf noemden. Opzich wel aardige gasten, we mochten zelfs met ze mee eten. Ze waren ingehuurd door Frulam Mondath, de second in command van Rezmir.

Ik moest die avond nog wel even snel en onopvallend de tent induiken, aangezien Langdedrosa Cyanwrath langs kwam lopen. Tijdens het eten had ik uiteraard mijn masker afgedaan (en nog snel even wat bloed op mijn gezicht en in mijn haar gesmeerd) dus hij zou me onmiddelijk herkend hebben. Gelukkig ging dat net goed.

15 Flamerule 1381

Vroeg in de ochtend besloot ik op pad te gaan om een poging te doen Leosin te bevrijden. Met wat vakkundig blufwerk loste ik de bewaker van de gevangene af, en Leosin wist me te vertellen dat ze alle gevangenen bij zonsopgang zouden executeren, dus ik had niet veel tijd meer! Ik keek om me heen om een mogelijke ontsnappingsroute te vinden, maar de enige uitweg was de weg die we op de heenweg ook hadden genomen, dwars door alle kampementen heen. Het was misschien nog vroeg, maar er waren meer bewapende lieden op de been dan ik aan kon. We hadden dus een afleiding nodig en snel.

Mijn oog viel snel op de wachttorens die ze langs de rand aan het bouwen waren. Dat was de beste poging om heel snel een enorme afleiding te veroorzaken. Ik rende snel naar Max en Robin om hun mijn plan te vertellen. Toen werd het even spannend, ik moest natuurlijk bij Leosin blijven staan, en afwachten tot er een toren zou gaan branden. De zon kwam voor mijn gevoel veel sneller op dan normaal, en er was nog geen rookpluimpje te zien. Op een gegeven moment, de zon was al bijna helemaal op, kwam Langdedrosa Cyanwrath langs om de gevangene op te halen, en net toen hij me een tweede keer goed bekeek, alsof hij me doorhad, zag ik vlak boven zijn schouder een klein beetje rook uit één van de wachttorens opstijgen. Ik moest me echt inhouden om geen zucht van verlichting te slaken, en het lukte om geschokt te reageren en te wijzen en iets van “Brand!” te stamelen. Toen hij verbaasd omkeek en zag wat ik zag, stond binnen no-time het hele kamp in rep en roer. Genoeg tumult en chaos voor mij om Leosin en de andere gevangenen te bevrijden en naar de uitgang van het kamp te leiden. De bewakers bij de uitgang deden nog wel moeilijk, maar met alle gemotiveerde gevangenen was het een peuleschil om ze neer te halen.

55.jpg

Later begreep ik dat het ontsteken van de toren wat lang duurde omdat er bewakers op de toren stonden die ze eerst moesten uitschakelen, en toen kregen ze de boel niet in de hens. Gelukkig waren Keird en Kima vlakbij en hebben zij kunnen helpen.

We ontmoetten elkaar bij de uitgang, de enige goede afspraak van deze escapade, en konden zo alle gevangenen veilig escorteren terug naar Greenest. Daar aangekomen was de vreugde van beide kanten natuurlijk gigantisch, en de dankbaarheid zo mogelijk nog groter. Hoe goed dit ook is voor mijn ego, ik moet wel op gaan passen dat ik niet al te veel naamsbekendheid verwerf, dat zou zomaar eens mijn vader en zijn mannen naar Greenest kunnen trekken, en ik weet niet of ik die al aankan…

View
Sessie 2 Queen of the Dragonhoard
29 oktober

14 Flamerule 1381

Terwijl bij de verlaten huisjes de eerste cultist ter aarde stort, klimt Max bij het klooster een boom in de hoop een glimp op te vangen van wat zich binnen afspeelt. Hij ziet dat bij zowel de voor- als de achterdeur nog steeds kobolds en cultisten staan. Aan de zijkant van het gebouw is echter een onbewaakt raam waar hij wel door zou passen. Zogedacht, zogedaan, en als een dief in de nacht sluipt hij door het raam de bijkeuken in.

final_fantasy_vii_sector_5_church_by_laggyzaki-d68b2x7.jpg

Niemand te zien. Vanachter een deur die verder het gebouw in loop zijn wel een hoop stemmen te horen. Max besluit het erop te wagen en klopt op de deur. Daar breekt spontaan paniek uit, stemmen schreeuwen en overleggen druk wat er gedaan moet worden en er worden meer spullen voor de deur geschoven.

Leosin Erlanthar, ben je daar?” roept Max. De stemmen worden nog iets paniekeriger. Na nog een keer kloppen en roepen wordt de deur op een kier open gedaan, en met veel overtuigingskracht en een beroep op de overlevingsdrang van de mensen binnen weet Max zich naar binnen te praten. De man die hij zoekt blijkt net voor de rellen begonnen naar buiten te zijn gerend. De mensen binnen zijn radeloos, ze zitten opgesloten zonder wapens of vechters en sommigen zijn te oud om te vluchten. Max overtuigd de mensen in het gebouw te blijven en de deur te barricaderen. Hij komt terug met zijn reisgenoten om de mensen op te halen.

Terwijl hij van de muur af springt, kan Max nog net op tijd wegduiken voor een groep kobolds die onder leiding van een cultist aan komt lopen. Toen ze dichterbij kwamen zag Max tot zijn verbazing dat de cultist Leosin Erlanthar was. Hun ogen ontmoetten elkaar, en Leosin spoorde zijn groep kobolds aan om verder te lopen.

De rest van de groep heeft inmiddels de neergeslagen Dragonclaw ontdaan van zijn masker en scimitars, en Tatjane doet een eerste poging tot ondervragen. Haar slachtoffer grijnst haar echter alleen maar aan en zegt niets, tot Keird subtiel een dolk in zijn knieschijf steekt en deze even rondwrikt. Dan weet hij opeens te vertellen dat ze hier zijn om schatten te verzamelen voor de Koningen der Draken. Ze zijn hier onder leiding van de drakendame die alle troepen aanstuurt op deze plundertocht.

Met deze informatie, en die van Max over de groep vastzittende dorpelingen, besluit de groep terug te gaan naar het klooster. Daar aangekomen zien ze dat het aantal kobolds en cultisten bij de achteringang wat kleiner is, en dat zij ook iets enthousiaster de deur te lijf gaan, nu niet met bijlen maar met brandhout. Die moeten dus als eerst worden uitgeschakeld. En terwijl Max en Tatjane met een leuk een-tweetje de kobolds één voor één uitschakelen, berust de samenwerking van Keird en Kima vooral op het stabiliseren en genezen van de ander.

kobold_by_lestatbishop.jpg

Het wordt ze echter wel duidelijk dat de kobolds, ondanks het gevecht, de stapel brandhout en stro voor de deur aan hebben weten te steken. Zodra de laatste kobold dood is wordt het vuur gelijk gedoofd, en de dorpelingen naar buiten geloodst. En geen seconde te laat, want de voordeur ligt inmiddels redelijk in puin en de eerste kobolds van de groep bij de voordeur stormen het gebouw binnen. Iedereen is gelukkig op tijd weg, en zonder al te veel problemen komen ze via de tunnel bij de keep aan.

Daar is de heersende paniek nog steeds meester, want de legers bij de poort zijn er niet minder op geworden, en het duurt niet lang meer of de poort begeeft het onder de voordurende aanvallen. Daarnaast vliegt de draak steeds dichter en dichter bij de keep waarbij zijn vuuradem zo nu en dan de mensen in keep levend verbrand. De groep splitst zich instictief op, Max en Tatjane gaan met hun bogen de boogschutters op de muur aanvoeren in de hoop de draak te verjagen, en Keird en Kima versterken en verdedigen met castellaan Escobar en wat bewakers de poort tegen indringers.

De houten poortdeuren hebben inmiddels aardig wat gaten waardoor de wezens van buitenaf gekropen komen. Het zijn er maar een paar, maar één daarvan is wel een draakwezen. Escobar en Robin weten deze vakkundig aan het spit te rijgen, terwijl Keird en Kima de waterput dempen met kobolds en cultisten.

waterWell.jpg

De draak maakt inmiddels zijn ronde over de keep en ontsteekt aardig wat archers naar het hiernamaals. Zelfs de altijd koelbloedige Max, die een mooi verdekt plekje heeft gevonden op een torentje, lost zijn pijlen met trillende handen. Tatjane, die naar vaders voorbeeld de leiding over de boogschutters heeft genomen, weet dankzij deze verantwoordelijkheid nog maar net haar hoofd erbij te houden.

De volgende golf aanvallers heeft zich inmiddels door de poort gewurmd, en terwijl Keird probeert de gaten op te vullen met de goblinlijken, zijn Escobar en Robin hout gaan halen om de gaten te dichten. Een huurling heeft zich nog wel naar binnen weten te werken.

Tijdens de tweede ronde over de keep weten iets meer pijlen hun doel te raken en de draak lijkt nu toch wat geïrriteerd te raken. Max heeft zich enigszins over zijn angst heen weten te zetten, ondanks het feit dat er weer enkele boogschutters brandend van de muur vallen.

siege.png

De huurling heeft het op Keird voorzien, en Keird op een vat olie met een omgevallen lantaren ernaast. Kima probeert de huurling af te leiden maar zonder veel resultaat. Op het moment dat de huurling beseft dat hij alleen staat probeert hij nog over te lopen naar de andere kant, maar niemand vertrouwt een verrader en zonder pardon wordt hij achter het vat olie aan de waterput in gedumpt.

Precies op het moment dat de draak besluit dat het wel welletjes is met die nare speldenprikken en zijn koers wijzigt naar een heel eind verder, zien de boogschutters ineens vanaf het plein in de keep een enorme vuurkolom uit de waterput omhoog spuiten nadat Keird de lantaren achter de huurling en het vat olie aan de waterput in mikte.

dra.jpg

Met de poort versterkt en de draak weg lijkt de situatie iets beter voor de overgebleven dorpelingen van Greenest in de keep, maar de strijd is nog niet gewonnen. Vlak voor de zon werkelijk opkomt verzamelt zich een groep goblins buiten de poort, net buiten schotafstand. Vanuit de groep stapt een grote figuur, half draak, half mens, naar voren en wijst op vier dorpelingen die met een mes op de keel worden vastgehouden.

“Wie is de verdediger van Greenest? Ik daag je uit voor een duel!” roept hij luidkeels. Het idee is duidelijk, als er één vechter in duel gaat zullen de mensen worden vrijgelaten, maar zonder trucjes, anders gaat iedereen eraan. Niemand staat echt te trappelen om in deze val te lopen, maar Tatjane beseft dat ze niet Robin zich kan laten opofferen, en dat dit wel de uitgelezen kans is om zichzelf te meten naar haar waarde als vechter. Ze loopt de poort uit, met de rest op enige afstand volgend, en gaat het duel aan met Langdedrosa Scionwrath.
Zodra ze naar voren stapt de cirkel in gebaart ze naar de gevangenen waarop deze worden vrijgelaten. De strijd is heftig, hoewel de halfdraak in eerste instantie de overhand lijkt te hebben, weet Tatjane hem toch te verrassen met een paar goede aanvallen. Het mag echter niet baten, ze heeft haar meerdere gevonden, en het laatste dat ze ziet voor ze ter aarde stort is een blik van respect in de ogen van haar tegenstander.

122728_CN_GL.jpg

Zodra de strijd is gestreden buigt Langdedrosa naar het lichaam van zijn tegenstander, knikt naar haar achterban, en loopt met het hele gevolg aan kobolds richting het oosten weg. Meteen wordt Tatjane bijgebracht en opgelapt, en na een middag diepe slaap in een zacht bed krijgt ze als beloning en uiting van dankbaarheid dan eindelijk het bad waar ze al dagen naar heeft gesmacht.

View

I'm sorry, but we no longer support this web browser. Please upgrade your browser or install Chrome or Firefox to enjoy the full functionality of this site.